بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ﴿۱﴾
Biesmiellaahier Rahmaanier Rahieem
1:1 In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige, Die barmhartig is voor iedereen. De barmhartigheid is tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen).

اَلۡحَمۡدُ لِلّٰہِ رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ۙ﴿۲﴾
Alhamdoe liellaahie Rabbiel 'aalamieen
1:2 Al-Hamd (Alle lof, eer en dank) komt Allah toe, de Heer van de werelden (van mensen, djiens en engelen). (Notitie: Met "werelden" wordt verwezen naar alle habitats/leefomgevingen/cultuur/gewoontes van mensen, djiens en engelen.)

الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ ۙ﴿۳﴾
1:3 Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige, Die barmhartig is voor iedereen. De barmhartigheid is alleen tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen).

مٰلِکِ یَوۡمِ الدِّیۡنِ ؕ﴿۴﴾
Maaliekie Yawmied-Dieen
1:4 De Koning op de dag des oordeels.

اِیَّاکَ نَعۡبُدُ وَ اِیَّاکَ نَسۡتَعِیۡنُ ؕ﴿۵﴾
Iyyaaka na'boedoe wa lyyaaka nasta'ieen
1:5 U alleen aanbidden wij en U alleen vragen wij om hulp.

اِہۡدِ نَا الصِّرَاطَ الۡمُسۡتَقِیۡمَ ۙ﴿۶﴾
Ihdienas-Sieraatal-Moestaqieem
1:6 Leid ons op het rechte pad.

صِرَاطَ الَّذِیۡنَ اَنۡعَمۡتَ عَلَیۡہِمۡ ۙ۬ غَیۡرِ الۡمَغۡضُوۡبِ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا الضَّآلِّیۡنَ ﴿۷﴾
Sieraatal-lazieena an'amta 'alaihiem ghayriel-maghdoebie 'alaihiem wa lad-daaallieen
1:7 Het pad van degenen aan wie U gunsten hebt geschonken, niet van degenen op wie de toorn rust en niet dat van de dwalenden.

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
الٓـمّٓ ۚ﴿۱﴾
Alief-Laaam-Mieeem
2:1 Alief Laaam Mieeem.

ذٰلِکَ الۡکِتٰبُ لَا رَیۡبَ ۚۖۛ فِیۡہِ ۚۛ ہُدًی لِّلۡمُتَّقِیۡنَ ۙ﴿۲﴾
Zaaliekal Kietaaboe laa raiba fieeh; hoedal lielmoettaqieen
2:2 Dat is het boek (Lawh Al-Mahfuz, de moeder van alle boeken), waarin geen twijfel is, (de openbaring ervan is) een leiding voor de Moettaqoens. (Notitie: Lawh Al-Mahfuz is het boek waarin alles staat vermeld. Dus alle gebeurtenissen, creatie, etc. Dit boek is niet gebonden aan tijd en vermeld dus ook alle toekomstige gebeurtenissen. Het wordt bewaakt en is alleen toegankelijk door Allah, zie 50:4. In deze vers wordt er verwezen naar een oplezing van een deel van de Lawh Al-Mahfuz, wat bekend staat als de Koran. Het Arabische woord Koran betekent oplezing en komt uit het werkwoord 'Qara' wat reciteren, oplezen en voordracht betekent. De Koran is bedoeld als leiding voor de Moettaqoens, dat zijn de mensen die 'Taqwa' hebben. Taqwa is de constante bewustzijn van de aanwezigheid van Allah, Zijn Barmhartigheid, de beloning en de straf van Allah, kortom godsvreesheid. Zie ook 3:14-15, 32:2, 10:37. Iemand die veel Taqwa heeft, zoek vaak contact met Allah.)

الَّذِیۡنَ یُؤۡمِنُوۡنَ بِالۡغَیۡبِ وَ یُقِیۡمُوۡنَ الصَّلٰوۃَ وَ مِمَّا رَزَقۡنٰہُمۡ یُنۡفِقُوۡنَ ۙ﴿۳﴾
Allazieena yoe'mienoena bielghaibie wa yoeqieemoenas salaata wa miemmaa razaqnaahoem yoenfieqoen
2:3 (Dit zijn) degenen die in het ongeziene geloven, de "Salaat" (contact maken met Allah, het gebed) verrichten en uitgeven van datgeen waarmee Wij hen hebben voorzien. (Notitie: het woord "Salaat" wordt vaak vertaalt als de gebeden, echter elk vorm van contact zoeken met Allah is "Salaat".)

وَ الَّذِیۡنَ یُؤۡمِنُوۡنَ بِمَاۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡکَ وَ مَاۤ اُنۡزِلَ مِنۡ قَبۡلِکَ ۚ وَ بِالۡاٰخِرَۃِ ہُمۡ یُوۡقِنُوۡنَ ؕ﴿۴﴾
Wallazieena yoe'mienoena biemaa oenziela ielaika wa maaa oenziela mien qablieka wa biel Aaghieratie hoem yoeqienoen
2:4 En degenen die geloven in wat aan jou (Mohammed v.z.m.h.) is geopenbaard en in datgeen wat vóór jou is geopenbaard en die sterk overtuigd zijn in het Hiernamaals.

اُولٰٓئِکَ عَلٰی ہُدًی مِّنۡ رَّبِّہِمۡ ٭ وَ اُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡمُفۡلِحُوۡنَ ﴿۵﴾
Oelaaa'ieka 'alaa hoedam mier rabbiehiem wa oelaaa'ieka hoemoel moefliehoen
2:5 Zij zijn degenen die de leiding van hun Heer volgen en zij zijn degenen die groeien in succes.

اِنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا سَوَآءٌ عَلَیۡہِمۡ ءَاَنۡذَرۡتَہُمۡ اَمۡ لَمۡ تُنۡذِرۡہُمۡ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۶﴾
Innal lazieena kafaroe sawaaa'oen 'alaihiem 'a-anzar tahoem am lam toenzierhoem laa yoe'mienoen
2:6 Voorzeker, degenen die niet geloven, het is hetzelfde voor hen of jij hen waarschuwt of niet waarschuwt, ze zullen niet geloven.

خَتَمَ اللّٰہُ عَلٰی قُلُوۡبِہِمۡ وَ عَلٰی سَمۡعِہِمۡ ؕ وَ عَلٰۤی اَبۡصَارِہِمۡ غِشَاوَۃٌ ۫ وَّ لَہُمۡ عَذَابٌ عَظِیۡمٌ ﴿۷﴾
ghatamal laahoe 'alaa qoeloebiehiem wa 'alaa sam'ie-hiem wa 'alaaa absaariehiem ghieshaa watoew wa lahoem 'azaaboen 'azieem
2:7 Allah heeft een zegel op hun harten en op hun gehoor geplaatst en over hun ogen is een sluier. Voor hen is er een grote straf.

وَ مِنَ النَّاسِ مَنۡ یَّقُوۡلُ اٰمَنَّا بِاللّٰہِ وَ بِالۡیَوۡمِ الۡاٰخِرِ وَ مَا ہُمۡ بِمُؤۡمِنِیۡنَ ۘ﴿۸﴾
Wa mienan naasie maiy yaqoeloe aamannaa biellaahie wa biel yawmiel aaghierie wa maa hoem biemoe'mienieen
2:8 En er zijn mensen die zeggen: "Wij geloven in Allah en in de laatste dag", maar ze zijn geen gelovigen.

یُخٰدِعُوۡنَ اللّٰہَ وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا ۚ وَ مَا یَخۡدَعُوۡنَ اِلَّاۤ اَنۡفُسَہُمۡ وَ مَا یَشۡعُرُوۡنَ ؕ﴿۹﴾
Yoeghaadie'oenal laaha wallazieena aamanoe wa maa yaghda'oena iellaaa anfoesahoem wa maa yash'oeroen
2:9 Ze proberen Allah en degenen die geloven te misleiden, maar ze misleiden niemand dan zichzelf, maar ze beseffen het niet.

فِیۡ قُلُوۡبِہِمۡ مَّرَضٌ ۙ فَزَادَہُمُ اللّٰہُ مَرَضًا ۚ وَ لَہُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌۢ ۬ۙ بِمَا کَانُوۡا یَکۡذِبُوۡنَ ﴿۰۱﴾
Fiee qoeloebiehiem mara doen fazaadahoemoel laahoe maradah; wa lahoem 'azaaboen alieemoem biemaa kaanoe yakzieboen
2:10 In hun harten is er een ziekte, dus heeft Allah hun ziekte doen verergeren. Voor hen is er een pijnlijke straf, omdat ze de gewoonte hadden om te liegen.

وَ اِذَا قِیۡلَ لَہُمۡ لَا تُفۡسِدُوۡا فِی الۡاَرۡضِ ۙ قَالُوۡۤا اِنَّمَا نَحۡنُ مُصۡلِحُوۡنَ ﴿۱۱﴾
Wa iezaa qieela lahoem laa toefsiedoe fiel ardie qaaloeo iennamaa nahnoe moesliehoen
2:11 En wanneer er tegen hen wordt gezegd: "Zaai geen corruptie\verderf op aarde", zeggen ze: "Wij scheppen alleen maar orde."

اَلَاۤ اِنَّہُمۡ ہُمُ الۡمُفۡسِدُوۡنَ وَ لٰکِنۡ لَّا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿۲۱﴾
Alaaa iennahoem hoemoel moefsiedoena wa laakiel laa yash'oeroen
2:12 Behoedt jezelf (van hen), voorzeker zij zijn degenen die verderf zaaien, maar ze beseffen het niet.

وَ اِذَا قِیۡلَ لَہُمۡ اٰمِنُوۡا کَمَاۤ اٰمَنَ النَّاسُ قَالُوۡۤا اَنُؤۡمِنُ کَمَاۤ اٰمَنَ السُّفَہَآءُ ؕ اَلَاۤ اِنَّہُمۡ ہُمُ السُّفَہَآءُ وَ لٰکِنۡ لَّا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۳۱﴾
Wa iezaa qieela lahoem aamienoe kamaaa aamanan naasoe qaaloeo anoe'mienoe kamaaa aamanas soefahaaa'; alaaa iennahoem hoemoes soefahaaa'oe wa laakiel laa ya'lamoen
2:13 En wanneer tegen hen wordt gezegd: "Geloof zoals de mensen geloven", zeggen ze: "Zullen wij geloven zoals de dwazen geloven?" Behoed jezelf (van hen), voorzeker zij zijn de dwazen, maar ze hebben daar geen besef van.

وَ اِذَا لَقُوا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا قَالُوۡۤا اٰمَنَّا ۚۖ وَ اِذَا خَلَوۡا اِلٰی شَیٰطِیۡنِہِمۡ ۙ قَالُوۡۤا اِنَّا مَعَکُمۡ ۙ اِنَّمَا نَحۡنُ مُسۡتَہۡزِءُوۡنَ ﴿۴۱﴾
Wa iezaa laqoel lazieena aamanoe qaaloeo aamannaa wa iezaa ghalaw ielaa shayaatieeniehiem qaaloeo iennaa ma'akoem iennamaa nahnoe moestahzie'oen
2:14 En wanneer ze de gelovigen ontmoeten, zeggen ze: "Wij geloven." Maar wanneer ze alleen zijn met hun satans (hypocrieten), dan zeggen ze: "Voorwaar, wij behoren tot jullie, wij spotten alleen (met hen)."

اَللّٰہُ یَسۡتَہۡزِئُ بِہِمۡ وَ یَمُدُّہُمۡ فِیۡ طُغۡیَانِہِمۡ یَعۡمَہُوۡنَ ﴿۵۱﴾
Allahoe yastahzie'oe biehiem wa yamoeddoehoem fiee toeghyaaniehiem ya'mahoen
2:15 Allah spot met hen en laat hen blindelings in hun overtredingen verder afdwalen.

اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ اشۡتَرَوُا الضَّلٰلَۃَ بِالۡہُدٰی ۪ فَمَا رَبِحَتۡ تِّجَارَتُہُمۡ وَ مَا کَانُوۡا مُہۡتَدِیۡنَ ﴿۶۱﴾
Oelaaa'iekal lazieenash tara woed dalaalata bielhoedaa famaa rabiehat tiedjaaratoehoem wa maa kaanoe moehtadieen
2:16 Dit zijn degenen die het dwaalspoor hebben gekocht in plaats van de leiding, daarom brengt hun handel geen profijt op. Ze behoren niet tot de recht-geleide\oprechte mensen.

مَثَلُہُمۡ کَمَثَلِ الَّذِی اسۡتَوۡقَدَ نَارًا ۚ فَلَمَّاۤ اَضَآءَتۡ مَا حَوۡلَہٗ ذَہَبَ اللّٰہُ بِنُوۡرِہِمۡ وَ تَرَکَہُمۡ فِیۡ ظُلُمٰتٍ لَّا یُبۡصِرُوۡنَ ﴿۷۱﴾
Masaloehoem kamasaliellazies tawqada naaran falammaaa adaaa'at maa hawlahoe zahabal laahoe bienoeriehiem wa tarakahoem fiee zoeloemaatiel laa yoebsieroen
2:17 Een vergelijking met hen is als iemand die een vuur aanstak. Wanneer datgeen wat om hem heen is verlicht werd, ontnam Allah hun licht en liet hen in duisternissen achter, zodat ze niets zien. (Notitie: duisternis wordt gezien als een levensomgeving wat geen vruchten afwerpt.)

صُمٌّۢ بُکۡمٌ عُمۡیٌ فَہُمۡ لَا یَرۡجِعُوۡنَ ﴿۸۱﴾
Soemmoem boekmoen 'oemyoen fahoem laa yardjie'oen
2:18 Doof, stom, en blind zijn zij, daarom zullen ze niet terugkeren.

اَوۡ کَصَیِّبٍ مِّنَ السَّمَآءِ فِیۡہِ ظُلُمٰتٌ وَّ رَعۡدٌ وَّ بَرۡقٌ ۚ یَجۡعَلُوۡنَ اَصَابِعَہُمۡ فِیۡۤ اٰذَانِہِمۡ مِّنَ الصَّوَاعِقِ حَذَرَ الۡمَوۡتِ ؕ وَ اللّٰہُ مُحِیۡطٌۢ بِالۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۹۱﴾
Aw kasaiyiebiem mienas samaaa'ie fieehie zoeloemaatoew wa ra'doew wa barq, yadj'aloena asaabie'ahoem fieee aazaaniehiem mienas sawaa'ieqie hazaral mawt' wallaahoe moehieetoem bielkaafierieen
2:19 Of als een zware regenbui vanuit de hemel begeleid met duisternissen, donder en bliksem. Uit doodsangst voor de donder, stoppen ze hun vingers in hun oren. En Allah omsingelt de ongelovigen (op elk gebied).

یَکَادُ الۡبَرۡقُ یَخۡطَفُ اَبۡصَارَہُمۡ ؕ کُلَّمَاۤ اَضَآءَ لَہُمۡ مَّشَوۡا فِیۡہِ ٭ۙ وَ اِذَاۤ اَظۡلَمَ عَلَیۡہِمۡ قَامُوۡا ؕ وَ لَوۡ شَآءَ اللّٰہُ لَذَہَبَ بِسَمۡعِہِمۡ وَ اَبۡصَارِہِمۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۰۲﴾
Yakaadoel barqoe yaghtafoe absaarahoem koellamaaa adaaa'a lahoem mashaw fieehie wa iezaaa azlama 'alaihiem qaamoe; wa law shaaa'al laahoe lazahaba biesam'iehiem wa absaariehiem; iennal laaha 'alaa koellie shai'ien Qadieer
2:20 Bijna ontneemt de bliksem hun gezichtsvermogen. Elke keer wanneer het verlicht, lopen ze erin en wanneer het weer donker wordt staan ze stil. En als Allah het had gewild, dan zou Hij hun gehoor en gezichtsvermogen hebben ontnomen. Zonder twijfel, Allah is over alles Al-Qadier (Degene Die in staat is om alles te doen wat Hij wil).

یٰۤاَیُّہَا النَّاسُ اعۡبُدُوۡا رَبَّکُمُ الَّذِیۡ خَلَقَکُمۡ وَ الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِکُمۡ لَعَلَّکُمۡ تَتَّقُوۡنَ ﴿۱۲﴾
Yaaa aiyoehan naasoe'boedoe Rabbakoemoel laziee ghalaqakoem wallazieena mien qabliekoem la'allakoem tattaqoen
2:21 O mensen, aanbid jullie Heer, Degenen Die jullie en eerdere generaties heeft geschapen, zodat jullie de "Taqwa" (godsvreesheid) kunnen verkrijgen.

الَّذِیۡ جَعَلَ لَکُمُ الۡاَرۡضَ فِرَاشًا وَّ السَّمَآءَ بِنَآءً ۪ وَّ اَنۡزَلَ مِنَ السَّمَآءِ مَآءً فَاَخۡرَجَ بِہٖ مِنَ الثَّمَرٰتِ رِزۡقًا لَّکُمۡ ۚ فَلَا تَجۡعَلُوۡا لِلّٰہِ اَنۡدَادًا وَّ اَنۡتُمۡ تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۲۲﴾
Allaziee dja'ala lakoemoel arda fieraashaw wassamaaa'a bienaaa 'aw wa anzala mienassamaaa'ie maaa'an fa aghradja biehiee mienas samaraatie riezqal lakoem falaa tadj'aloe liellaahie andaadaw wa antoem ta'lamoen
2:22 (Hij is Allah, Degene) Die de aarde als een rustplaats (bed) en de hemel als een bedekking voor jullie heeft gemaakt. En Die water uit de hemel doet neerdalen, vervolgens brengt Hij daarmee vruchten voort als levensonderhoud voor jullie. Dus ken geen gelijke toe aan Allah, terwijl jullie het weten.

وَ اِنۡ کُنۡتُمۡ فِیۡ رَیۡبٍ مِّمَّا نَزَّلۡنَا عَلٰی عَبۡدِنَا فَاۡتُوۡا بِسُوۡرَۃٍ مِّنۡ مِّثۡلِہٖ ۪ وَ ادۡعُوۡا شُہَدَآءَکُمۡ مِّنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۳۲﴾
Wa ien koentoem fiee raibiem miemmaa nazzalnaa 'alaa 'abdienaa fatoe bie Soeratiem miem miesliehiee wad'oe shoehadaaa'akoem mien doeniel laahie ien koentoem saadieqieen
2:23 En als jullie in twijfel verkeren over datgeen wat Wij aan Onze dienaar hebben neergezonden, produceer dan een gelijkwaardig 'Soerah' (hoofdstuk). En roep jullie helper buiten Allah aan, als jullie streven naar de waarheid.

فَاِنۡ لَّمۡ تَفۡعَلُوۡا وَ لَنۡ تَفۡعَلُوۡا فَاتَّقُوا النَّارَ الَّتِیۡ وَقُوۡدُہَا النَّاسُ وَ الۡحِجَارَۃُ ۚۖ اُعِدَّتۡ لِلۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۴۲﴾
Fail lam taf'aloe wa lan taf'aloe fattaqoen Naaral latiee waqoedoehan naasoe walhiedjaaratoe oe'ieddat lielkaafierieen
2:24 Als jullie het niet doen, en jullie zullen nooit in staat zijn, vrees dan het vuur waarin mensen en stenen als brandstof zijn, wat voor de ongelovigen klaar is gemaakt.

وَ بَشِّرِ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ اَنَّ لَہُمۡ جَنّٰتٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ ؕ کُلَّمَا رُزِقُوۡا مِنۡہَا مِنۡ ثَمَرَۃٍ رِّزۡقًا ۙ قَالُوۡا ہٰذَا الَّذِیۡ رُزِقۡنَا مِنۡ قَبۡلُ ۙ وَ اُتُوۡا بِہٖ مُتَشَابِہًا ؕ وَ لَہُمۡ فِیۡہَاۤ اَزۡوَاجٌ مُّطَہَّرَۃٌ ٭ۙ وَّ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۵۲﴾
Wa bashshieriel lazieena aamanoe wa 'amieloes saaliehaatie anna lahoem djannaatien tadjriee mien tahtiehal anhaaroe koellamaa roezieqoe mienhaa mien samaratier riezqan qaaloe haazal laziee roezieqnaa mien qabloe wa oetoe biehiee moetashaabiehaa, wa lahoem fieehaaa azwaadjoem moetahhara toew wa hoem fieehaa ghaaliedoen
2:25 En verkondig het goede nieuws aan hen die geloven en goede daden verrichten, dat er voor hen tuinen zijn waaronder rivieren stromen. Iedere keer wanneer ze daaruit van fruit worden voorzien, zullen ze zeggen: "Dit is waarmee we eerder voorzien werden (als voedsel op aarde)." En aan hen zullen (de dingen) daaruit zo gegeven worden dat het herkenbaar is. En voor hen zijn er rein gemaakte echtgenoten. Ze zullen voor altijd daar vertoeven.

اِنَّ اللّٰہَ لَا یَسۡتَحۡیٖۤ اَنۡ یَّضۡرِبَ مَثَلًا مَّا بَعُوۡضَۃً فَمَا فَوۡقَہَا ؕ فَاَمَّا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا فَیَعۡلَمُوۡنَ اَنَّہُ الۡحَقُّ مِنۡ رَّبِّہِمۡ ۚ وَ اَمَّا الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا فَیَقُوۡلُوۡنَ مَا ذَاۤ اَرَادَ اللّٰہُ بِہٰذَا مَثَلًا ۘ یُضِلُّ بِہٖ کَثِیۡرًا ۙ وَّ یَہۡدِیۡ بِہٖ کَثِیۡرًا ؕ وَ مَا یُضِلُّ بِہٖۤ اِلَّا الۡفٰسِقِیۡنَ ﴿۶۲﴾
Innal laaha laa yastahyieee ay yadrieba masalam maa ba'oedatan famaa fawqahaa; faammal lazieena aamanoe faya'lamoena annahoel haqqoe mier rabbiehiem wa ammal lazieena kafaroe fayaqoeloena maazaaa araadal laahoe biehaazaa masalaa; yoedielloe biehiee kasieeraw wa yahdiee biehiee kasieeraa; wa maa yoedielloe biehieee iellal faasieqieen
2:26 Voorwaar, Allah schaamt niet om een vergelijking van een mug, of zelfs iets nog onbeduidend, te geven. Diegenen die geloven weten dat het de waarheid van hun Heer is. En de ongelovigen zullen zeggen: "Wat bedoelt Allah met deze vergelijking?" Hij doet velen ermee dwalen en Hij leidt er velen mee. Hij laat alleen de mensen die provocerend ongehoorzaam zijn, ermee dwalen.

الَّذِیۡنَ یَنۡقُضُوۡنَ عَہۡدَ اللّٰہِ مِنۡۢ بَعۡدِ مِیۡثَاقِہٖ ۪ وَ یَقۡطَعُوۡنَ مَاۤ اَمَرَ اللّٰہُ بِہٖۤ اَنۡ یُّوۡصَلَ وَ یُفۡسِدُوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ ؕ اُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡخٰسِرُوۡنَ ﴿۷۲﴾
Allazieena yanqoedoena 'ahdal laahie miem ba'die mieesaaqiehiee wa yaqta'oena maaa amaral laahoe biehieee ay yoesala wa yoefsiedoena fiel ard; oelaaa'ieka hoemoel ghaasieroen
2:27 (Dat zijn) degenen die het verbond met Allah verbreken na de bekrachtiging ervan. En die datgeen verbreken wat Allah bevolen heeft verbonden te blijven en die verderf zaaien op de aarde. Zij zijn de (uiteindelijke) verliezers.

کَیۡفَ تَکۡفُرُوۡنَ بِاللّٰہِ وَ کُنۡتُمۡ اَمۡوَاتًا فَاَحۡیَاکُمۡ ۚ ثُمَّ یُمِیۡتُکُمۡ ثُمَّ یُحۡیِیۡکُمۡ ثُمَّ اِلَیۡہِ تُرۡجَعُوۡنَ ﴿۸۲﴾
Kaifa takfoeroena biellaahie wa koentoem amwaatan fa ahyaakoem soemma yoemieetoekoem soemma yoehyieekoem soemmaa ielaihie toerdja'oen
2:28 Hoe kunnen jullie niet in Allah geloven, ondanks dat Hij jullie het leven schonk terwijl jullie niet bestonden? Hij zal jullie doen sterven, vervolgens zal Hij jullie opwekken en daarna zullen jullie tot Hem terugkeren.

ہُوَ الَّذِیۡ خَلَقَ لَکُمۡ مَّا فِی الۡاَرۡضِ جَمِیۡعًا ٭ ثُمَّ اسۡتَوٰۤی اِلَی السَّمَآءِ فَسَوّٰىہُنَّ سَبۡعَ سَمٰوٰتٍ ؕ وَ ہُوَ بِکُلِّ شَیۡءٍ عَلِیۡمٌ ﴿۹۲﴾
Hoewal laziee ghalaqa lakoem maa fiel ardie djamiee'an soemmas tawaaa ielas samaaa'ie fasaw waahoenna sab'a samaa waat; wa Hoewa biekoellie shai'ien Alieem
2:29 Hij is Allah, Degenen Die alles op de aarde voor jullie heeft geschapen. Vervolgens wendde Hij Zich tot de hemel en vormde deze tot zeven hemelen. Hij bevat de totale kennis over alles.

وَ اِذۡ قَالَ رَبُّکَ لِلۡمَلٰٓئِکَۃِ اِنِّیۡ جَاعِلٌ فِی الۡاَرۡضِ خَلِیۡفَۃً ؕ قَالُوۡۤا اَتَجۡعَلُ فِیۡہَا مَنۡ یُّفۡسِدُ فِیۡہَا وَ یَسۡفِکُ الدِّمَآءَ ۚ وَ نَحۡنُ نُسَبِّحُ بِحَمۡدِکَ وَ نُقَدِّسُ لَکَ ؕ قَالَ اِنِّیۡۤ اَعۡلَمُ مَا لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۰۳﴾
Wa iez qaala rabboeka liel malaaa'iekatie ienniee djaa'ieloen fiel ardie ghalieefatan qaaloeo atadj'aloe fieehaa may yoefsiedoe fieehaa wa yasfiekoed diemaaa'a wa nahnoe noesabbiehoe biehamdieka wa noeqaddiesoe laka qaala iennieee a'lamoe maa laa ta'lamoen
2:30 En (gedenk) toen jullie Heer tegen de engelen zei: "Voorwaar, Ik ga op aarde een 'Ghalifa' (een entiteit waaruit vele generaties op generaties zal ontstaan) plaatsen", zeiden ze: "Gaat U iemand erop plaatsen die er verderf zal zaaien en bloed zal vergieten, terwijl wij U verheerlijken met Uw lof en U heiligen?" Hij zei: "Er is geen twijfel, Ik weet wat jullie niet weten." (Notitie: Ghalifa kan niet vertaald worden als stedehouder/gevolmachtigden/gemachtigde van Allah, gezien Allah Al-Qayoem is (de Onderhouder, Voorziener, Degenen die de leiding heeft over alles). Iemand die onderhoudt, voorziet, en de leiding heeft over alles, heeft geen gemachtigde nodig, noch staat Hij dingen toe als Hij dat niet wil. Wanneer het zo vertaalt wordt is het in tegenstrijd met vers 2:255.)

وَ عَلَّمَ اٰدَمَ الۡاَسۡمَآءَ کُلَّہَا ثُمَّ عَرَضَہُمۡ عَلَی الۡمَلٰٓئِکَۃِ ۙ فَقَالَ اَنۡۢبِـُٔوۡنِیۡ بِاَسۡمَآءِ ہٰۤؤُلَآءِ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۱۳﴾
Wa 'allama Aadamal asmaaa'a koellahaa soemma 'aradahoem 'alal malaaa'iekatie faqaala ambie'oeniee bieas maaa'ie haaa'oelaaa'ie ien koentoem saadieqieen
2:31 En Hij onderwees Adam alle namen. Vervolgens toonde Hij deze aan de engelen en zei: "Maak mij de namen van deze bekend als jullie streven naar de waarheid."

قَالُوۡا سُبۡحٰنَکَ لَا عِلۡمَ لَنَاۤ اِلَّا مَا عَلَّمۡتَنَا ؕ اِنَّکَ اَنۡتَ الۡعَلِیۡمُ الۡحَکِیۡمُ ﴿۲۳﴾
Qaaloe soebhaanaka laa 'ielma lanaaa iellaa maa 'allamtanaaa iennaka antal'alieemoel hakieem
2:32 Ze zeiden: "Subhaan (de ultieme perfectie, zonder enige tekortkoming) bent U! We hebben geen kennis behalve wat U ons heeft onderwezen. Zonder twijfel, U bent Al-Aliem (de Alwetende), Al-Hakiem (de Alwijze)."

قَالَ یٰۤاٰدَمُ اَنۡۢبِئۡہُمۡ بِاَسۡمَآئِہِمۡ ۚ فَلَمَّاۤ اَنۡۢبَاَہُمۡ بِاَسۡمَآئِہِمۡ ۙ قَالَ اَلَمۡ اَقُلۡ لَّکُمۡ اِنِّیۡۤ اَعۡلَمُ غَیۡبَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ۙ وَ اَعۡلَمُ مَا تُبۡدُوۡنَ وَ مَا کُنۡتُمۡ تَکۡتُمُوۡنَ ﴿۳۳﴾
Qaala yaaa Aadamoe ambie' hoem bieasmaaa'iehiem falammaa amba ahoem bie asmaaa'iehiem qaala alam aqoel lakoem iennieee a'lamoe ghaibas samaawaatie wal ardie wa a'lamoe maa toebdoena wa maa koentoem taktoemoen
2:33 Hij zei: "O Adam, informeer hen de namen." Nadat hij hen had geïnformeerd over hun namen, zei Hij (Allah): “Heb Ik jullie niet gezegd, dat Ik de "Ghayb" (hetgeen wat niet direct kan worden waargenomen) van de hemelen en de aarde ken? En dat Ik weet, wat jullie onthullen en wat jullie verbergen?"

وَ اِذۡ قُلۡنَا لِلۡمَلٰٓئِکَۃِ اسۡجُدُوۡا لِاٰدَمَ فَسَجَدُوۡۤا اِلَّاۤ اِبۡلِیۡسَ ؕ اَبٰی وَ اسۡتَکۡبَرَ ٭۫ وَ کَانَ مِنَ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۴۳﴾
Wa iez qoelnaa lielmalaaa'ie katies djoedoe lieAadama fasadjadoeo iellaaa Iblieesa abaa wastakbara wa kaana mienal kaafierieen
2:34 En (gedenk) toen Wij tot de engelen zeiden: "Prostreer voor Adam". Ze prostreerden, behalve iblies. Hij weigerde en was hoogmoedig en werd tot de groep van ongelovigen.

وَ قُلۡنَا یٰۤاٰدَمُ اسۡکُنۡ اَنۡتَ وَ زَوۡجُکَ الۡجَنَّۃَ وَ کُلَا مِنۡہَا رَغَدًا حَیۡثُ شِئۡتُمَا ۪ وَ لَا تَقۡرَبَا ہٰذِہِ الشَّجَرَۃَ فَتَکُوۡنَا مِنَ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۵۳﴾
Wa qoelnaa yaaa Aadamoes koen anta wa zawdjoekal djannata wa koelaa mienhaa raghadan haisoe shie'toemaa wa laa taqrabaa haaziehiesh shadjarata fatakoenaa mienaz zaaliemieen
2:35 En Wij zeiden: "O Adam, vertoef in de tuin, jij en je vrouw, en eet daaruit overvloedig waar jullie ook wensen, maar nader deze boom niet, anders zullen jullie tot de onrechtplegers behoren."

فَاَزَلَّہُمَا الشَّیۡطٰنُ عَنۡہَا فَاَخۡرَجَہُمَا مِمَّا کَانَا فِیۡہِ ۪ وَ قُلۡنَا اہۡبِطُوۡا بَعۡضُکُمۡ لِبَعۡضٍ عَدُوٌّ ۚ وَ لَکُمۡ فِی الۡاَرۡضِ مُسۡتَقَرٌّ وَّ مَتَاعٌ اِلٰی حِیۡنٍ ﴿۶۳﴾
Fa azallahoemash Shaitaanoe 'anhaa fa aghradjahoemaa miemmaa kaanaa fiee wa qoelnah bietoe ba'doekoem lieba'dien 'adoewwoew wa lakoem fiel ardie moestaqarroew wa mataa'oen ielaa hieen
2:36 Maar de satan deed hen daaruit glijden, en bracht hen dus uit de toestand waarin ze waren. En Wij zeiden: "Daal af (van de positie)! Jullie zullen elkaars vijanden zijn. De aarde is een tijdelijke verblijfplaats en een levensvoorziening voor jullie."

فَتَلَقّٰۤی اٰدَمُ مِنۡ رَّبِّہٖ کَلِمٰتٍ فَتَابَ عَلَیۡہِ ؕ اِنَّہٗ ہُوَ التَّوَّابُ الرَّحِیۡمُ ﴿۷۳﴾
Fatalaqqaaa Aadamoe mier Rabbiehiee Kaliemaatien fataaba 'alaihie; iennahoe Hoewat Tawwaaboer Rahieem
2:37 Toen ontving Adam woorden van zijn Heer. Dus wendde Hij zich genadig tot hem, voorzeker Hij is At-Tawwaab (Degenen die het meeste het berouw aanvaard), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen). (Notitie: zie 7:23, de woorden die Adam ontving).

قُلۡنَا اہۡبِطُوۡا مِنۡہَا جَمِیۡعًا ۚ فَاِمَّا یَاۡتِیَنَّکُمۡ مِّنِّیۡ ہُدًی فَمَنۡ تَبِعَ ہُدَایَ فَلَا خَوۡفٌ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یَحۡزَنُوۡنَ ﴿۸۳﴾
Qoelnah bietoe mienhaa djamiee 'an fa iemmaa ya'tieyannakoem mienniee hoedan faman tabie'a hoedaaya falaa ghawfoen 'alaihiem wa laa hoem yahza noen
2:38 Wij zeiden: "Daal allen eruit af! En wanneer Mijn leiding tot jullie komt, dan zal er geen angst voor hen zijn die mijn leiding zal volgen en ze zullen niet treuren."

وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَاۤ اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ النَّارِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۹۳﴾
Wallazieena kafaroe wa kaz zaboeo bie aayaatienaa oelaaa'ieka Ashaaboen Naarie hoem fieehaa ghaaliedoen
2:39 "En degenen die niet geloven en die onze tekenen verwerpen\negeren, zij zijn de bewoners van het vuur. Zij zullen er eeuwig in vertoeven."

یٰبَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ اذۡکُرُوۡا نِعۡمَتِیَ الَّتِیۡۤ اَنۡعَمۡتُ عَلَیۡکُمۡ وَ اَوۡفُوۡا بِعَہۡدِیۡۤ اُوۡفِ بِعَہۡدِکُمۡ ۚ وَ اِیَّایَ فَارۡہَبُوۡنِ ﴿۰۴﴾
Yaa Banieee Israaa'ieelaz koeroe nie'matieyal latieee an'amtoe 'alaikoem wa awfoe bie'Ahdieee oefie bie ahdiekoem wa ieyyaaya farhaboen
2:40 O Kinderen van Israël! Gedenk Mijn gunst die Ik jullie heb geschonken. En bekrachtig Mijn verbond, Ik zal het verbond met jullie behouden, en vrees Mij alleen.

وَ اٰمِنُوۡا بِمَاۤ اَنۡزَلۡتُ مُصَدِّقًا لِّمَا مَعَکُمۡ وَ لَا تَکُوۡنُوۡۤا اَوَّلَ کَافِرٍۭ بِہٖ ۪ وَ لَا تَشۡتَرُوۡا بِاٰیٰتِیۡ ثَمَنًا قَلِیۡلًا ۫ وَّ اِیَّایَ فَاتَّقُوۡنِ ﴿۱۴﴾
Wa aamienoe biemaaa anzaltoe moesaddieqal liemaa ma'akoem wa laa takoenoeo awwala kaafieriem biehiee wa laa tashtaroe bie Aayaatiee samanan qalieelaw wa ieyyaaya fattaqoen
2:41 En geloof in datgeen wat Ik heb neergezonden (de Koran), het bevestigt datgeen wat jullie al hebben. En wees niet de eerste die er niet in geloven. En verruil Mijn tekenen niet voor een kleine prijs. En vrees Mij alleen.

وَ لَا تَلۡبِسُوا الۡحَقَّ بِالۡبَاطِلِ وَ تَکۡتُمُوا الۡحَقَّ وَ اَنۡتُمۡ تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۲۴﴾
Wa laa talbiesoel haqqa bielbaatielie wa taktoemoel haqqa wa antoem ta'lamoen
2:42 En meng de waarheid niet met onzin en verberg de waarheid niet terwijl jullie het weten (dat het de waarheid is).

وَ اَقِیۡمُوا الصَّلٰوۃَ وَ اٰتُوا الزَّکٰوۃَ وَ ارۡکَعُوۡا مَعَ الرّٰکِعِیۡنَ ﴿۳۴﴾
Wa aqieemoes salaata wa aatoez zakaata warka'oe ma'ar raakie'ieen
2:43 En onderhoud "Salaat" (het contact maken met Allah, het gebed), geef de zakaat (arme belasting) en prostreer samen met hen die prostreren.

اَتَاۡمُرُوۡنَ النَّاسَ بِالۡبِرِّ وَ تَنۡسَوۡنَ اَنۡفُسَکُمۡ وَ اَنۡتُمۡ تَتۡلُوۡنَ الۡکِتٰبَ ؕ اَفَلَا تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۴۴﴾
Ataamoeroenan naasa bielbierrie wa tansawna anfoesakoem wa antoem tatloenal Kietaab; afalaa ta'qieloen
2:44 Gebieden jullie de mensen tot rechtvaardigheid, terwijl jullie jezelf vergeten ondanks dat jullie het boek lezen? Gebruiken jullie geen verstand?

وَ اسۡتَعِیۡنُوۡا بِالصَّبۡرِ وَ الصَّلٰوۃِ ؕ وَ اِنَّہَا لَکَبِیۡرَۃٌ اِلَّا عَلَی الۡخٰشِعِیۡنَ ﴿۵۴﴾
Wasta'ieenoe biessabrie was Salaah; wa iennahaa lakabiee ratoen iellaa alal ghaashie'ieen
2:45 En zoek hulp met behulp van geduld en het gebed. Voorwaar, het is erg zwaar, behalve voor de mensen die nederig zijn.

الَّذِیۡنَ یَظُنُّوۡنَ اَنَّہُمۡ مُّلٰقُوۡا رَبِّہِمۡ وَ اَنَّہُمۡ اِلَیۡہِ رٰجِعُوۡنَ ﴿۶۴﴾
Allazieena yazoennoena annahoem moelaaqoe Rabbiehiem wa annahoem ielaihie raadjie'oen
2:46 (Dat zijn) degene die ervan overtuigd zijn dat ze hun Heer zullen ontmoeten en dat ze tot hem zullen terugkeren.

یٰبَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ اذۡکُرُوۡا نِعۡمَتِیَ الَّتِیۡۤ اَنۡعَمۡتُ عَلَیۡکُمۡ وَ اَنِّیۡ فَضَّلۡتُکُمۡ عَلَی الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۷۴﴾
Yaa Banieee Israaa'ieelaz koeroe nie'matieyal latieee an'amtoe 'alaikoem wa anniee faddaltoekoem 'alal 'aalamieen
2:47 O Kinderen van Israël, gedenk Mijn gunst die Ik aan jullie bewees, en dat Ik jullie bevoorrechtte over de werelden.

وَ اتَّقُوۡا یَوۡمًا لَّا تَجۡزِیۡ نَفۡسٌ عَنۡ نَّفۡسٍ شَیۡئًا وَّ لَا یُقۡبَلُ مِنۡہَا شَفَاعَۃٌ وَّ لَا یُؤۡخَذُ مِنۡہَا عَدۡلٌ وَّ لَا ہُمۡ یُنۡصَرُوۡنَ ﴿۸۴﴾
Wattaqoe Yawmal laa tadjziee nafsoen 'an nafsien shai'aw wa laa yoeqbaloe mienhaa shafaa'atoew wa laa yoe'ghazoe mienhaa 'adloew wa laa hoem yoensaroen
2:48 En vrees de dag waarop een 'Nafs' (persoon, eigen ik), een andere 'Nafs' niet kan helpen. En er zal geen bemiddeling van haar geaccepteerd worden, noch zal er een vergoeding van haar worden aangenomen. En ze zullen niet worden geholpen.

وَ اِذۡ نَجَّیۡنٰکُمۡ مِّنۡ اٰلِ فِرۡعَوۡنَ یَسُوۡمُوۡنَکُمۡ سُوۡٓءَ الۡعَذَابِ یُذَبِّحُوۡنَ اَبۡنَآءَکُمۡ وَ یَسۡتَحۡیُوۡنَ نِسَآءَکُمۡ ؕ وَ فِیۡ ذٰلِکُمۡ بَلَآ ءٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ عَظِیۡمٌ ﴿۹۴﴾
Wa iez nadjdjainaakoem mien Aalie Fier'awna yasoemoenakoem soeo'al azaabie yoezabbiehoena abnaaa'akoem wa yastahyoena niesaaa'akoem; wa fiee zaaliekoem balaaa'oem mier Rabbiekoem 'azieem
2:49 En (gedenk) toen Wij jullie van Farao's mensen redde, die jullie vreselijke marteling toebracht, jullie zonen afslachtte en jullie vrouwen in leven lieten. Daarin was een grote beproeving van jullie Heer.

وَ اِذۡ فَرَقۡنَا بِکُمُ الۡبَحۡرَ فَاَنۡجَیۡنٰکُمۡ وَ اَغۡرَقۡنَاۤ اٰلَ فِرۡعَوۡنَ وَ اَنۡتُمۡ تَنۡظُرُوۡنَ ﴿۰۵﴾
Wa iez faraqnaa biekoemoel bahra fa andjainaakoem wa agh-raqnaaa Aala Fier'awna wa antoem tanzoeroen
2:50 En (gedenk) toen Wij voor jullie de zee kliefden/openden en daarna jullie redden. Terwijl jullie toekeken, deden Wij Farao's mensen verdrinken.

وَ اِذۡ وٰعَدۡنَا مُوۡسٰۤی اَرۡبَعِیۡنَ لَیۡلَۃً ثُمَّ اتَّخَذۡتُمُ الۡعِجۡلَ مِنۡۢ بَعۡدِہٖ وَ اَنۡتُمۡ ظٰلِمُوۡنَ ﴿۱۵﴾
Wa iez waa'adnaa Moesaaa arba'ieena lailatan soemmattaghaztoemoel 'iedjla miem ba'diehiee wa antoem zaaliemoen
2:51 En (gedenk) toen Wij Moesa (Mozes) veertig nachten deden toekennen, namen jullie na zijn vetrek het kalf (ter aanbidding). Jullie waren misdadigers.

ثُمَّ عَفَوۡنَا عَنۡکُمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ ذٰلِکَ لَعَلَّکُمۡ تَشۡکُرُوۡنَ ﴿۲۵﴾
Soemma 'afawnaa 'an-koem miem ba'die zaalieka la'allakoem tashkoeroen
2:52 Vervolgens, vergaven Wij jullie, zodat jullie dankbaar konden zijn.

وَ اِذۡ اٰتَیۡنَا مُوۡسَی الۡکِتٰبَ وَ الۡفُرۡقَانَ لَعَلَّکُمۡ تَہۡتَدُوۡنَ ﴿۳۵﴾
Wa iez aatainaa Moesal kietaaba wal Foerqaana la'allakoem tahtadoen
2:53 Wij gaven Moesa het boek (de Thora) en de 'Foerqan' (de norm van goed en kwaad), zodat jullie de leiding konden volgen.

وَ اِذۡ قَالَ مُوۡسٰی لِقَوۡمِہٖ یٰقَوۡمِ اِنَّکُمۡ ظَلَمۡتُمۡ اَنۡفُسَکُمۡ بِاتِّخَاذِکُمُ الۡعِجۡلَ فَتُوۡبُوۡۤا اِلٰی بَارِئِکُمۡ فَاقۡتُلُوۡۤا اَنۡفُسَکُمۡ ؕ ذٰلِکُمۡ خَیۡرٌ لَّکُمۡ عِنۡدَ بَارِئِکُمۡ ؕ فَتَابَ عَلَیۡکُمۡ ؕ اِنَّہٗ ہُوَ التَّوَّابُ الرَّحِیۡمُ ﴿۴۵﴾
Wa iez qaala Moesaa lieqawmiehiee yaa qawmie iennakoem zalamtoem anfoesakoem biettieghaa ziekoemoel 'iedjla fatoeboeo ielaa Baarie'iekoem faqtoeloeo anfoesakoem zaaliekoem ghairoel lakoem 'ienda Baarie'iekoem fataaba 'alaikoem; iennahoe Hoewat Tawwaaboer Rahieem
2:54 En (gedenk) toen Moesa tot zijn volk zei: "Mijn volk! Jullie hebben jezelf onrecht aangedaan door het kalf (ter aanbidding) te nemen. Dus wend in berouw tot jullie Heer en dood jezelf. Dat is beter voor jullie in het aanzicht van jullie Schepper." Toen aanvaarde Hij jullie berouw. Voorwaar Hij is At-Tawwab (de vaak Vergevende, de meest berouw Aanvaardende), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen).

وَ اِذۡ قُلۡتُمۡ یٰمُوۡسٰی لَنۡ نُّؤۡمِنَ لَکَ حَتّٰی نَرَی اللّٰہَ جَہۡرَۃً فَاَخَذَتۡکُمُ الصّٰعِقَۃُ وَ اَنۡتُمۡ تَنۡظُرُوۡنَ ﴿۵۵﴾
Wa iez qoeltoem yaa Moesaa lan noe'miena laka hattaa naral laaha djahratan fa aghazat koemoes saa'ieqatoe wa antoem tanzoeroen
2:55 En (gedenk) toen jullie zeiden: "O Moesa, we zullen u nooit geloven totdat wij Allah duidelijk zien". Dus greep de bliksem jullie, terwijl jullie toekeken.

ثُمَّ بَعَثۡنٰکُمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ مَوۡتِکُمۡ لَعَلَّکُمۡ تَشۡکُرُوۡنَ ﴿۶۵﴾
Soemma ba'asnaakoem miem ba'die mawtiekoem la'allakoem tashkoeroen
2:56 Vervolgens, wekten Wij jullie na de dood op, zodat jullie dankbaar konden zijn.

وَ ظَلَّلۡنَا عَلَیۡکُمُ الۡغَمَامَ وَ اَنۡزَلۡنَا عَلَیۡکُمُ الۡمَنَّ وَ السَّلۡوٰی ؕ کُلُوۡا مِنۡ طَیِّبٰتِ مَا رَزَقۡنٰکُمۡ ؕ وَ مَا ظَلَمُوۡنَا وَ لٰکِنۡ کَانُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ یَظۡلِمُوۡنَ ﴿۷۵﴾
Wa zallalnaa 'alaikoemoel ghamaama wa anzalnaa 'alaikoemoel Manna was Salwaa koeloe mien taiyiebaatie maa razaqnaakoem wa maa zalamoenaa wa laakien kaanoeo anfoesahoem yazliemoen
2:57 En Wij gaven jullie schaduw door middel van wolken. Wij deden Manna en Kwartels voor jullie neerdalen. Eet van de goede dingen waarvan Wij jullie hebben voorzien. Ze deden Ons geen onrecht aan, maar ze deden zichzelf onrecht aan.

وَ اِذۡ قُلۡنَا ادۡخُلُوۡا ہٰذِہِ الۡقَرۡیَۃَ فَکُلُوۡا مِنۡہَا حَیۡثُ شِئۡتُمۡ رَغَدًا وَّ ادۡخُلُوا الۡبَابَ سُجَّدًا وَّ قُوۡلُوۡا حِطَّۃٌ نَّغۡفِرۡ لَکُمۡ خَطٰیٰکُمۡ ؕ وَ سَنَزِیۡدُ الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۸۵﴾
Wa iez qoelnad ghoeloe haaziehiel qaryata fakoeloe mienhaa haisoe shie'toem raghadaw wadghoeloel baaba soedjdjadaw wa qoeloe hiettatoen naghfier lakoem ghataayaakoem; wa sanazieedoel moehsienieen
2:58 En (gedenk) toen Wij zeiden: "Ga deze stad binnen en eet overvloedig waar jullie ook wensen". Betreed de poort in prostratie binnen en zeg (verkondig het woord): "Vergeving! Wij (Allah) zullen jullie zonden vergeven en Wij zullen de weldoeners belonen."

فَبَدَّلَ الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا قَوۡلًا غَیۡرَ الَّذِیۡ قِیۡلَ لَہُمۡ فَاَنۡزَلۡنَا عَلَی الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا رِجۡزًا مِّنَ السَّمَآءِ بِمَا کَانُوۡا یَفۡسُقُوۡنَ ﴿۹۵﴾
Fabaddalal lazieena zalamoe qawlan ghairal laziee qieela lahoem fa anzalnaa 'alal lazieena zalamoe riedjzam mienas samaaa'ie biemaa kaanoe yafsoeqoen
2:59 Maar de onrechtplegers veranderde het woord met iets anders dan datgeen wat tot hen was gezegd. Daarom zonden Wij een straf vanuit de hemel voor degenen die onrecht pleegden. Ze waren provocerend ongehoorzaam.

وَ اِذِ اسۡتَسۡقٰی مُوۡسٰی لِقَوۡمِہٖ فَقُلۡنَا اضۡرِبۡ بِّعَصَاکَ الۡحَجَرَ ؕ فَانۡفَجَرَتۡ مِنۡہُ اثۡنَتَاعَشۡرَۃَ عَیۡنًا ؕ قَدۡ عَلِمَ کُلُّ اُنَاسٍ مَّشۡرَبَہُمۡ ؕ کُلُوۡا وَ اشۡرَبُوۡا مِنۡ رِّزۡقِ اللّٰہِ وَ لَا تَعۡثَوۡا فِی الۡاَرۡضِ مُفۡسِدِیۡنَ ﴿۰۶﴾
Wa iezies tasqaa Moesaa lieqawmiehiee faqoelnad rieb bie'asaakal hadjara fanfadjarat mienhoesnataaa 'ashrata 'aynan qad 'aliema koelloe oenaasiem mash rabahoem koeloe washraboe mier riezqiel laahie wa laa ta'saw fiel ardie moefsiedieen
2:60 En (gedenk) toen Moesa water vroeg voor zijn volk. Wij zeiden: "Sla met jouw staf op de steen". Daarna gutste er twaalf waterbronnen eruit (uit de steen). Iedere stam kende zijn drinkplaats. Eet en drink van Allah's voorzieningen en handel niet met de kwade intentie om verderf op de aarde te zaaien.

وَ اِذۡ قُلۡتُمۡ یٰمُوۡسٰی لَنۡ نَّصۡبِرَ عَلٰی طَعَامٍ وَّاحِدٍ فَادۡعُ لَنَا رَبَّکَ یُخۡرِجۡ لَنَا مِمَّا تُنۡۢبِتُ الۡاَرۡضُ مِنۡۢ بَقۡلِہَا وَ قِثَّآئِہَا وَ فُوۡمِہَا وَ عَدَسِہَا وَ بَصَلِہَا ؕ قَالَ اَتَسۡتَبۡدِلُوۡنَ الَّذِیۡ ہُوَ اَدۡنٰی بِالَّذِیۡ ہُوَ خَیۡرٌ ؕ اِہۡبِطُوۡا مِصۡرًا فَاِنَّ لَکُمۡ مَّا سَاَلۡتُمۡ ؕ وَ ضُرِبَتۡ عَلَیۡہِمُ الذِّلَّۃُ وَ الۡمَسۡکَنَۃُ ٭ وَ بَآءُوۡ بِغَضَبٍ مِّنَ اللّٰہِ ؕ ذٰلِکَ بِاَنَّہُمۡ کَانُوۡا یَکۡفُرُوۡنَ بِاٰیٰتِ اللّٰہِ وَ یَقۡتُلُوۡنَ النَّبِیّٖنَ بِغَیۡرِ الۡحَقِّ ؕ ذٰلِکَ بِمَا عَصَوۡا وَّ کَانُوۡا یَعۡتَدُوۡنَ ﴿۱۶﴾
Wa iez qoeltoem yaa Moesaa lan nasbiera 'alaa ta'aamiew waahiedien fad'oe lanaa rabbaka yoeghriedj lanaa miemmaa toembietoel ardoe miembaqliehaa wa qies saaa'iehaa wa foemiehaa wa 'adasiehaa wa basaliehaa qaala atastabdieloenal laziee hoewa adnaa biellaziee hoewa ghayr; iehbietoe miesran fa ienna lakoem maa sa altoem; wa doeriebat 'alaihiemoez ziellatoe walmaskanatoe wa baaa'oe bieghadabiem mienal laah; zaalieka bie annahoem kaano yakfoeroena bie aayaatiel laahie wa yaqtoeloenan Nabieyyieena bieghairiel haqq; zaalieka biemaa 'asaw wa kaanoe ya'tadoen
2:61 En (gedenk) toen jullie zeiden: "O Moesa, nooit zullen we (het eten van) één soort voedsel verdragen. Bid dus voor ons tot jouw Heer om datgeen voort te brengen wat de aarde doet groeien van haar bonen, haar komkommers, haar knoflook, haar linzen en haar uien." Hij zei: "Willen jullie het betere verruilen met iets wat minderwaardig is? Ga naar een stad, voorzeker, daar is hetgeen waar jullie om vroegen." En ze werden geslagen met vernedering en ellende, en ze wekte op henzelf Allah's toorn op. Dat was omdat ze constant Allah's tekenen verwierpen en zonder enig recht de profeten doodden. Dat was omdat ze niet gehoorzaamden en overtredingen begingen.

اِنَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ الَّذِیۡنَ ہَادُوۡا وَ النَّصٰرٰی وَ الصّٰبِئِیۡنَ مَنۡ اٰمَنَ بِاللّٰہِ وَ الۡیَوۡمِ الۡاٰخِرِ وَ عَمِلَ صَالِحًا فَلَہُمۡ اَجۡرُہُمۡ عِنۡدَ رَبِّہِمۡ ۪ۚ وَ لَا خَوۡفٌ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یَحۡزَنُوۡنَ ﴿۲۶﴾
Innal lazieena aamanoe wallazieena haadoe wan nasaaraa was Saabie'ieena man aamana biellaahie wal yawmiel aaghierie wa 'amiela saaliehan falahoem adjroehoem 'ienda Rabbiehiem wa laa ghawfoen 'alaihiem wa laa hoem yahzanoen
2:62 Zonder twijfel, voor degenen die geloofden (in de eerdere profeten), voor degenen die jood, christen, of sabiër werden en die geloofden in Allah en in de laatste dag, en die goede daden deden, voor hen is hun beloning bij hun Heer. Er is geen vrees voor hen (op de dag des oordeels), noch zullen ze treuren. (Notitie: het gaat hier om degenen die bekeert zijn tot het monotheïsme en niet afgedwaald zijn.)

وَ اِذۡ اَخَذۡنَا مِیۡثَاقَکُمۡ وَ رَفَعۡنَا فَوۡقَکُمُ الطُّوۡرَ ؕ خُذُوۡا مَاۤ اٰتَیۡنٰکُمۡ بِقُوَّۃٍ وَّ اذۡکُرُوۡا مَا فِیۡہِ لَعَلَّکُمۡ تَتَّقُوۡنَ ﴿۳۶﴾
Wa iez aghaznaa mieesaaqakoem wa rafa'naa fawqakoemoet Toera ghoezoe maaa aatainaakoem bieqoewwatiew wazkoeroe maa fieehie la'allakoem tattaqoen
2:63 En (gedenk) toen Wij jullie verbond accepteerden, en Wij de berg over jullie deden vergroten. (Wij zeiden:) "Houdt stevig vast aan datgeen wat Wij jullie hebben gegeven. En gedenk wat er in staat, misschien krijgen jullie 'Taqwa' (constante bewustzijn van de aanwezigheid van Allah)."

ثُمَّ تَوَلَّیۡتُمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ ذٰلِکَ ۚ فَلَوۡ لَا فَضۡلُ اللّٰہِ عَلَیۡکُمۡ وَ رَحۡمَتُہٗ لَکُنۡتُمۡ مِّنَ الۡخٰسِرِیۡنَ ﴿۴۶﴾
Soemma tawallaitoem miem ba'die zaalieka falawlaa fadloel laahie 'alaikoem wa rahmatoehoe lakoentoem mienal ghaasierieen
2:64 Toen wendden jullie je zelfs daarna af. Dus als Allah's genade en zijn Barmhartigheid niet over jullie was geweest, dan zouden jullie zeker tot de verliezers behoren.

وَ لَقَدۡ عَلِمۡتُمُ الَّذِیۡنَ اعۡتَدَوۡا مِنۡکُمۡ فِی السَّبۡتِ فَقُلۡنَا لَہُمۡ کُوۡنُوۡا قِرَدَۃً خٰسِئِیۡنَ ﴿۵۶﴾
Wa laqad 'aliemtoemoel lazieena'-tadaw mien-koem fies Sabtie faqoelnaa lahoem koenoe qieradatan ghaasie'ieen
2:65 Waarlijk, jullie wisten wie van jullie de Sabbat overtraden (ondanks dat deden jullie niets, zie 2:85). Wij zeiden tot hen: "Wees vernederde apen!"

فَجَعَلۡنٰہَا نَکَالًا لِّمَا بَیۡنَ یَدَیۡہَا وَ مَا خَلۡفَہَا وَ مَوۡعِظَۃً لِّلۡمُتَّقِیۡنَ ﴿۶۶﴾
Fadja'alnaahaa nakaalal liemaa baina yadiehaa wa maa ghalfahaa wa maw'iezatal lielmoettaqieen
2:66 Dus maakten Wij het (de straf) tot een afschrikmiddel voor degene die met hen waren en voor degene die na hen kwamen. Het is een vermaning voor de Moettaqoens (zie 2:2-5).

وَ اِذۡ قَالَ مُوۡسٰی لِقَوۡمِہٖۤ اِنَّ اللّٰہَ یَاۡمُرُکُمۡ اَنۡ تَذۡبَحُوۡا بَقَرَۃً ؕ قَالُوۡۤا اَتَتَّخِذُنَا ہُزُوًا ؕ قَالَ اَعُوۡذُ بِاللّٰہِ اَنۡ اَکُوۡنَ مِنَ الۡجٰہِلِیۡنَ ﴿۷۶﴾
Wa iez qaala Moesaa lieqawmiehieee iennal laaha yaamoeroekoem an tazbahoe baqaratan qaaloeo atattaghiezoenna hoezoewan qaala a'oezoe biellaahie an akoena mienal djaahielieen
2:67 En (gedenk) toen Moesa tot zijn volk zei: "Allah beveelt jullie een koe te slachten". Ze zeiden: "Spot u met ons?" Hij antwoordde: "Ik zoek mijn toevlucht bij Allah tegen de onwetendheid."

قَالُوا ادۡعُ لَنَا رَبَّکَ یُبَیِّنۡ لَّنَا مَا ہِیَ ؕ قَالَ اِنَّہٗ یَقُوۡلُ اِنَّہَا بَقَرَۃٌ لَّا فَارِضٌ وَّ لَا بِکۡرٌ ؕ عَوَانٌۢ بَیۡنَ ذٰلِکَ ؕ فَافۡعَلُوۡا مَا تُؤۡمَرُوۡنَ ﴿۸۶﴾
Qaaloed-'oe lanaa rabbaka yoebaiyiel lanaa maa hiee; qaala iennahoe yaqoeloe iennahaa baqaratoel laa faariedoew wa laa biekroen 'awaanoem baina zaalieka faf'aloe maa toe'maroen
2:68 Ze zeiden: "Bid voor ons tot uw Heer, om duidelijk te maken welke het is." Hij (Moesa) zei:" Hij (Allah) zegt, het is een koe noch oud noch jong, rond de middelbare leeftijd. Dus doe wat jullie bevolen is."

قَالُوا ادۡعُ لَنَا رَبَّکَ یُبَیِّنۡ لَّنَا مَا لَوۡنُہَا ؕ قَالَ اِنَّہٗ یَقُوۡلُ اِنَّہَا بَقَرَۃٌ صَفۡرَآءُ ۙ فَاقِعٌ لَّوۡنُہَا تَسُرُّ النّٰظِرِیۡنَ ﴿۹۶﴾
Qaaloed-'oe lanaa Rabbaka yoebaiyiel lanaa maa lawnoehaa; qaala iennahoe yaqoeloe iennahaa baqaratoen safraaa'oe faaqie'oel lawnoehaa tasoerroennaazierieen
2:69 Ze zeiden: "Bid voor ons tot uw Heer, om duidelijk te maken wat haar kleur is." Hij (Moesa) zei:" Hij (Allah) zegt, het is een koe helder geel van kleur, die de kijker blij maakt."

قَالُوا ادۡعُ لَنَا رَبَّکَ یُبَیِّنۡ لَّنَا مَا ہِیَ ۙ اِنَّ الۡبَقَرَ تَشٰبَہَ عَلَیۡنَا ؕ وَ اِنَّاۤ اِنۡ شَآءَ اللّٰہُ لَمُہۡتَدُوۡنَ ﴿۰۷﴾
Qaaloed-'oe lanaa Rabbaka yoebaiyiel lanaa maa hieya iennal baqara tashaabaha 'alainaa wa iennaaa ien shaaa'al laahoe lamoehtadoen
2:70 Ze zeiden: "Bid voor ons tot uw Heer, om duidelijk te maken welke het is. Voorwaar, de koeien lijken op elkaar. En als Allah het wil, dan zullen we zeker behoren tot de mensen die naar het rechte pad zijn geleid."

قَالَ اِنَّہٗ یَقُوۡلُ اِنَّہَا بَقَرَۃٌ لَّا ذَلُوۡلٌ تُثِیۡرُ الۡاَرۡضَ وَ لَا تَسۡقِی الۡحَرۡثَ ۚ مُسَلَّمَۃٌ لَّا شِیَۃَ فِیۡہَا ؕ قَالُوا الۡـٰٔنَ جِئۡتَ بِالۡحَقِّ ؕ فَذَبَحُوۡہَا وَ مَا کَادُوۡا یَفۡعَلُوۡنَ ﴿۱۷﴾
Qaala iennahoe yaqoeloe iennahaa baqaratoel laa zaloeloen toesieeroel arda wa laa tasqiel harsa moesallamatoellaa shieyata fieehaa; qaaloel 'aana djieta bielhaqq; fazabahoehaa wa maa kaado yaf'aloen
2:71 Hij (Moesa) zei: "Waarlijk, Hij zegt dat het een koe is, die niet getraind is om de aarde te ploegen en de velden te irrigeren. Eén die gaaf is zonder vlekken." Ze zeiden: "Nu bent u met de volledige beschrijving gekomen." Dus slachtten ze haar, maar bijna hadden ze het niet gedaan.

وَ اِذۡ قَتَلۡتُمۡ نَفۡسًا فَادّٰرَءۡتُمۡ فِیۡہَا ؕ وَ اللّٰہُ مُخۡرِجٌ مَّا کُنۡتُمۡ تَکۡتُمُوۡنَ ﴿۲۷﴾
Wa iez qataltoem nafsan faddaara'toem fieehaa wallaahoe moeghriedjoem maa koentoem taktoemoen
2:72 En (gedenk) toen jullie een "Nafs" (persoon) doodde, vervolgens maakte jullie er ruzie over. Maar Allah is de onthuller van wat jullie probeerde te verbergen.

فَقُلۡنَا اضۡرِبُوۡہُ بِبَعۡضِہَا ؕ کَذٰلِکَ یُحۡیِ اللّٰہُ الۡمَوۡتٰی ۙ وَ یُرِیۡکُمۡ اٰیٰتِہٖ لَعَلَّکُمۡ تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۳۷﴾
Faqoelnad rieboehoe bieba'diehaa; kazaalieka yoehyiel laa hoel mawtaa wa yoerieekoem aayaatiehiee la'allakoem ta'qieloen
2:73 Wij zeiden: "Sla hem (de dode persoon) met een deel van haar (de koe)". Zo doet Allah de doden herleven en toont Hij jullie Zijn tekenen. Misschien zullen jullie je verstand gebruiken.

ثُمَّ قَسَتۡ قُلُوۡبُکُمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ ذٰلِکَ فَہِیَ کَالۡحِجَارَۃِ اَوۡ اَشَدُّ قَسۡوَۃً ؕ وَ اِنَّ مِنَ الۡحِجَارَۃِ لَمَا یَتَفَجَّرُ مِنۡہُ الۡاَنۡہٰرُ ؕ وَ اِنَّ مِنۡہَا لَمَا یَشَّقَّقُ فَیَخۡرُجُ مِنۡہُ الۡمَآءُ ؕ وَ اِنَّ مِنۡہَا لَمَا یَہۡبِطُ مِنۡ خَشۡیَۃِ اللّٰہِ ؕوَ مَا اللّٰہُ بِغَافِلٍ عَمَّا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۴۷﴾
Soemma qasat qoeloeboekoem miem ba'die zaalieka fahieya kalhiedjaaratie aw-ashaadoe qaswah; wa ienna mienal hiedjaaratie lamaa yatafadjdjaroe mienhoel anhaar; wa ienna mienhaa lamaa yash shaqqaqoe fayaghroedjoe mienhoel maaa'; wa ienna mienhaa lamaa yahbietoe mien ghashyatiel laa; wa mal laahoe bieghaafielien 'ammaa ta'maloen
2:74 Daarna werden jullie harten hard. Ze werden net als stenen of zelfs harder dan dat. Er zijn (namelijk) stenen waaruit rivieren ontspringen. En er zijn stenen die splijten zodat er water uitstroomt. En er zijn stenen die prostreren uit vrees voor Allah. Allah is niet onwetend met datgeen wat jullie doen.

اَفَتَطۡمَعُوۡنَ اَنۡ یُّؤۡمِنُوۡا لَکُمۡ وَ قَدۡ کَانَ فَرِیۡقٌ مِّنۡہُمۡ یَسۡمَعُوۡنَ کَلٰمَ اللّٰہِ ثُمَّ یُحَرِّفُوۡنَہٗ مِنۡۢ بَعۡدِ مَا عَقَلُوۡہُ وَ ہُمۡ یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۵۷﴾
Afatatma'oena ay yoe'mienoe lakoem wa qad kaana farieeqoem mienhoem yasma'oena Kalaamal laahie soemma yoeharrie foenahoe miem ba'die maa'aqaloehoe wa hoem ya'lamoen
2:75 Hopen jullie dat ze (de Joden) in jullie zullen geloven, terwijl er een groep van hen het woord van Allah heeft gehoord en deze het met opzet verdraaide nadat ze het hadden begrepen?

وَ اِذَا لَقُوا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا قَالُوۡۤا اٰمَنَّا ۚۖ وَ اِذَا خَلَا بَعۡضُہُمۡ اِلٰی بَعۡضٍ قَالُوۡۤا اَتُحَدِّثُوۡنَہُمۡ بِمَا فَتَحَ اللّٰہُ عَلَیۡکُمۡ لِیُحَآجُّوۡکُمۡ بِہٖ عِنۡدَ رَبِّکُمۡ ؕ اَفَلَا تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۶۷﴾
Wa iezaa laqoel lazieena aamanoe qaaloeo aamannaa wa iezaaghalaa ba'doehoem ielaa ba'dien qaaloeo atoehaddiesoenahoem biemaa fatahal laahoe 'alaikoem lieyoehaadjdjoekoem biehiee 'ienda rabbiekoem; afalaa ta'qieloen
2:76 En wanneer ze de gelovigen ontmoeten, zeggen ze: "Wij geloven", maar wanneer ze elkaar in het geheim ontmoeten, zeggen ze: "Willen jullie hen vertellen wat Allah jullie heeft geopenbaard, zodat ze het als argument tegen jullie gebruiken, bij jullie Heer? Begrijpen jullie dan niet?"

اَ وَ لَا یَعۡلَمُوۡنَ اَنَّ اللّٰہَ یَعۡلَمُ مَا یُسِرُّوۡنَ وَ مَا یُعۡلِنُوۡنَ ﴿۷۷﴾
Awalaa ya'lamoena annal laaha ya'lamoe maa yoesierroena wa maa yoe'lienoen
2:77 Weten ze niet dat Allah weet wat ze verbergen en wat ze bekendmaken?

وَ مِنۡہُمۡ اُمِّیُّوۡنَ لَا یَعۡلَمُوۡنَ الۡکِتٰبَ اِلَّاۤ اَمَانِیَّ وَ اِنۡ ہُمۡ اِلَّا یَظُنُّوۡنَ ﴿۸۷﴾
Wa mienhoem oemmieyyoena laa ya'lamoenal kietaaba iellaaa amaanieyya wa ien hoem iellaa yazoennoen
2:78 En onder hen zijn er ongeletterde die het boek (de Thora) niet kennen. Ze kennen het geloof alleen door middel van hun wenselijke gedachten. Ze doen niets anders dan gissen.

فَوَیۡلٌ لِّلَّذِیۡنَ یَکۡتُبُوۡنَ الۡکِتٰبَ بِاَیۡدِیۡہِمۡ ٭ ثُمَّ یَقُوۡلُوۡنَ ہٰذَا مِنۡ عِنۡدِ اللّٰہِ لِیَشۡتَرُوۡا بِہٖ ثَمَنًا قَلِیۡلًا ؕ فَوَیۡلٌ لَّہُمۡ مِّمَّا کَتَبَتۡ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ وَیۡلٌ لَّہُمۡ مِّمَّا یَکۡسِبُوۡنَ ﴿۹۷﴾
Fawailoel liellazieena yaktoeboenal kietaaba bie aidiehiem soemma yaqoeloena haazaa mien 'iendiel laahie lieyashtaroe biehiee samanan qalieelan fawailoel lahoem miemmaa katabat aydieehiem wa wailoel lahoem miemmaa yaksieboen
2:79 Ellende rust op degenen die het boek met hun eigen handen schrijven en vervolgens zeggen: "Dit komt van Allah", om het voor een kleine prijs te verruilen/verkopen. Dus ellende rust op hen voor datgeen wat hun handen hebben geschreven. En ellende rust op hen voor wat ze ermee verdienen.

وَ قَالُوۡا لَنۡ تَمَسَّنَا النَّارُ اِلَّاۤ اَیَّامًا مَّعۡدُوۡدَۃً ؕ قُلۡ اَتَّخَذۡتُمۡ عِنۡدَ اللّٰہِ عَہۡدًا فَلَنۡ یُّخۡلِفَ اللّٰہُ عَہۡدَہٗۤ اَمۡ تَقُوۡلُوۡنَ عَلَی اللّٰہِ مَا لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۰۸﴾
Wa qaaloe lan tamassanan Naaroe iellaaa ayyaamam ma'doe dah; qoel attaghaztoem 'iendal laahie 'ahdan falay yoeghliefal laahoe 'ahdahoeo am taqoeloena 'alal laahie maa laa ta'lamoen
2:80 En ze zeggen: "Het vuur zal ons niet aanraken, behalve voor enkele dagen." Zeg: "Hebben jullie een verbond met Allah gesloten? Allah zal nooit zijn verbond verbreken. Of zeggen jullie iets over Allah, wat jullie niet weten?"

بَلٰی مَنۡ کَسَبَ سَیِّئَۃً وَّ اَحَاطَتۡ بِہٖ خَطِیۡٓــَٔتُہٗ فَاُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ النَّارِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۱۸﴾
Balaa man kasaba sayyie'ataw wa ahaatat biehiee ghatieee'atoehoe fa-oelaaa'ieka Ashaaboen Naarie hoem fieehaa ghaaliedoen
2:81 Nee, wie het slechte heeft verdiend en door zijn zonde is omringd, zij zijn de bewoners van het vuur. Ze zullen daarin eeuwig vertoeven.

وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ الۡجَنَّۃِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۲۸﴾
Wallazieena aamanoe wa 'amieloes saaliehaatie oelaaa'ieka Ashaaboel djannatie hoem fieeha ghaaliedoen
2:82 En degenen die geloven en goede daden verrichtten, zij zijn de bewoners van het paradijs. Ze zullen daarin eeuwig vertoeven.

وَ اِذۡ اَخَذۡنَا مِیۡثَاقَ بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ لَا تَعۡبُدُوۡنَ اِلَّا اللّٰہَ ۟ وَ بِالۡوَالِدَیۡنِ اِحۡسَانًا وَّ ذِی ‌الۡقُرۡبٰی وَ الۡیَتٰمٰی وَ الۡمَسٰکِیۡنِ وَ قُوۡلُوۡا لِلنَّاسِ حُسۡنًا وَّ اَقِیۡمُوا الصَّلٰوۃَ وَ اٰتُوا الزَّکٰوۃَ ؕ ثُمَّ تَوَلَّیۡتُمۡ اِلَّا قَلِیۡلًا مِّنۡکُمۡ وَ اَنۡتُمۡ مُّعۡرِضُوۡنَ ﴿۳۸﴾
Wa iez aghaznaa mieesaaqa Banieee Israaa'ieela laa ta'boedoena iellal laaha wa biel waaliedainie iehsaanaw wa ziel qoerbaa walyataamaa walmasaakieenie wa qoeloe liennaasie hoesnaw wa aqieemoes salaata wa aatoezZakaata soemma tawallaitoem iellaa qalieelam mien-koem wa antoem moe'riedoen
2:83 En (gedenk) toen Wij het verbond aan de kinderen van Israël toewezen: "Jullie zullen niets aanbidden, behalve Allah. En wees goed voor de ouders, de bloedverwanten, de wezen, en de behoeftigen. En spreek vriendelijk naar de mensen toe, verricht de 'Salaat' (maak contact met Allah, het gebed) en geef de zakaat." Maar jullie keerden zich er van af, behalve een klein aantal van jullie. Jullie waren afkerig.

وَ اِذۡ اَخَذۡنَا مِیۡثَاقَکُمۡ لَا تَسۡفِکُوۡنَ دِمَآءَکُمۡ وَ لَا تُخۡرِجُوۡنَ اَنۡفُسَکُمۡ مِّنۡ دِیَارِکُمۡ ثُمَّ اَقۡرَرۡتُمۡ وَ اَنۡتُمۡ تَشۡہَدُوۡنَ ﴿۴۸﴾
Wa iez aghaznaa mieesaa qakoem laa tasfiekoena diemaaa'akoem wa laa toeghriedjoena anfoesakoem mien dieyaariekoem soemma aqrartoem wa antoem tashhadoen
2:84 En (gedenk) toen Wij het verbond toewezen: "Vergiet elkaars bloed niet en verdrijf elkaar niet uit jullie huizen". Daarop bekrachtigden jullie het (verbond) en jullie getuigden erover.

ثُمَّ اَنۡتُمۡ ہٰۤـؤُلَآءِ تَقۡتُلُوۡنَ اَنۡفُسَکُمۡ وَ تُخۡرِجُوۡنَ فَرِیۡقًا مِّنۡکُمۡ مِّنۡ دِیَارِہِمۡ ۫ تَظٰہَرُوۡنَ عَلَیۡہِمۡ بِالۡاِثۡمِ وَ الۡعُدۡوَانِ ؕ وَ اِنۡ یَّاۡتُوۡکُمۡ اُسٰرٰی تُفٰدُوۡہُمۡ وَ ہُوَ مُحَرَّمٌ عَلَیۡکُمۡ اِخۡرَاجُہُمۡ ؕ اَفَتُؤۡمِنُوۡنَ بِبَعۡضِ الۡکِتٰبِ وَ تَکۡفُرُوۡنَ بِبَعۡضٍ ۚ فَمَا جَزَآءُ مَنۡ یَّفۡعَلُ ذٰلِکَ مِنۡکُمۡ اِلَّا خِزۡیٌ فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ۚ وَ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ یُرَدُّوۡنَ اِلٰۤی اَشَدِّ الۡعَذَابِ ؕ وَ مَا اللّٰہُ بِغَافِلٍ عَمَّا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۵۸﴾
Soemma antoem haaa'oelaaa'ie taqtoeloena anfoesakoem wa toeghriedjoena farieeqam mien-koem mien dieyaariehiem tazaaharoena 'alaihiem biel iesmie wal'oedwaanie wa iey yaatoekoem oesaaraa toefaadoehoem wahoewa moeharramoen 'alaikoem ieghraadjoehoem; afatoe' mie-noena bieba'diel Kietaabie wa takfoeroena bieba'd; famaa djazaaa'oe may yaf'aloe zaalieka mien-koem iellaa ghiezyoen fiel hayaatied-doenyaa wa yawmal qieyaamatie yoeraddoena ielaaa ashaddiel 'azaab; wa mal laahoe bieghaafielien 'ammaa ta'maloen
2:85 Vervolgens, zijn jullie degenen die elkaar doden en anderen uit huizen verdrijven. Jullie ondersteunen elkaar in het zondigen en in het overtreden. En indien ze (de misdadigers die mensen uit huizen verdrijven) als gevangenen tot jullie komen, kopen jullie hen vrij, terwijl hun uitdrijving (op anderen) jullie verboden was verklaard. Geloven jullie alleen in een gedeelte van het boek en niet in een ander gedeelte? Wat zou de beloning moeten zijn voor degene die dit doen, behalve dan schande in het wereldse leven. Op de dag van wederopstanding zullen ze worden terug gebracht tot de zwaarste bestraffing. En Allah is niet onwetend over wat jullie doen.

اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ اشۡتَرَوُا الۡحَیٰوۃَ الدُّنۡیَا بِالۡاٰخِرَۃِ ۫ فَلَا یُخَفَّفُ عَنۡہُمُ الۡعَذَابُ وَ لَا ہُمۡ یُنۡصَرُوۡنَ ﴿۶۸﴾
Oelaaa'iekal lazieenash tarawoel hayaatad doenyaa biel aaghieratie falaa yoeghaffafoe 'anhoemoel 'azaaboe wa laa hoem yoensaroen
2:86 Zij zijn degenen die het wereldse leven hebben gekocht in plaats van het hiernamaals. De straf zal niet verlicht worden, noch is er bemiddeling voor hen.

وَ لَقَدۡ اٰتَیۡنَا مُوۡسَی الۡکِتٰبَ وَ قَفَّیۡنَا مِنۡۢ بَعۡدِہٖ بِالرُّسُلِ ۫ وَ اٰتَیۡنَا عِیۡسَی ابۡنَ مَرۡیَمَ الۡبَیِّنٰتِ وَ اَیَّدۡنٰہُ بِرُوۡحِ الۡقُدُسِ ؕ اَفَکُلَّمَا جَآءَکُمۡ رَسُوۡلٌۢ بِمَا لَا تَہۡوٰۤی اَنۡفُسُکُمُ اسۡتَکۡبَرۡتُمۡ ۚ فَفَرِیۡقًا کَذَّبۡتُمۡ ۫ وَ فَرِیۡقًا تَقۡتُلُوۡنَ ﴿۷۸﴾
Wa laqad aatainaa Moesal Kietaaba wa qaffainaa miem ba'diehiee bier Roesoelie wa aatainaa 'Eesab-na-Maryamal baiyienaatie wa ayyadnaahoe bie Roehiel Qoedoes; afakoellamaa djaaa'akoem Rasoeloem biemaa laa tahwaaa anfoesoekoemoes takbartoem fafarieeqan kazzabtoem wa farieeqan taqtoeloen
2:87 En voorzeker Wij gaven Moesa het boek en Wij deden boodschappers na hem opvolgen. En Wij gaven Isa (Jezus), de zoon van Maryam (Maria), de duidelijke bewijzen. En Wij versterkten hem met de heilige geest (Djiebriel/Gabriël). "Is het niet waar dat, wanneer er een boodschapper tot jullie kwam met datgeen wat jullie niet behaagden, jullie arrogant handelden? Een aantal van hen hebben jullie afgestoten\verworpen en een aantal van hen hebben jullie gedood."

وَ قَالُوۡا قُلُوۡبُنَا غُلۡفٌ ؕ بَلۡ لَّعَنَہُمُ اللّٰہُ بِکُفۡرِہِمۡ فَقَلِیۡلًا مَّا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۸۸﴾
Wa qaaloe qoeloeboenaa ghoelf; bal la'anahoemoel laahoe biekoefriehiem faqalieelam maa yoe'mienoen
2:88 Ze zeiden: "Onze harten zijn bedekt". Nee! Allah heeft ze vervloekt vanwege hun ongeloof. Daarom gelovigen ze alleen maar een beetje.

وَ لَمَّا جَآءَہُمۡ کِتٰبٌ مِّنۡ عِنۡدِ اللّٰہِ مُصَدِّقٌ لِّمَا مَعَہُمۡ ۙ وَ کَانُوۡا مِنۡ قَبۡلُ یَسۡتَفۡتِحُوۡنَ عَلَی الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا ۚۖ فَلَمَّا جَآءَہُمۡ مَّا عَرَفُوۡا کَفَرُوۡا بِہٖ ۫ فَلَعۡنَۃُ اللّٰہِ عَلَی الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۹۸﴾
Wa lammaa djaaa'ahoem Kietaaboem mien 'iendiel laahie moesaddieqoel liemaa ma'ahoem wa kaanoe mien qabloe yastaftiehoena 'alal lazieena kafaroe falammaa djaaa'ahoem maa 'arafoe kafaroe bieh; fala 'natoel laahie 'alal kaafierieen
2:89 En wanneer een boek van Allah tot hen kwam, dat hetgeen bevestigde wat ze eerder hadden ("er is geen andere godheid dan Allah"), dan geloofden ze er niet in, ondanks dat ze weten dat het de waarheid is. Terwijl ze eerder gebeden hebben voor de overwinning op de ongelovigen (op basis van de komst van een andere profeet). De vloek van Allah rust op de ongelovigen.

بِئۡسَمَا اشۡتَرَوۡا بِہٖۤ اَنۡفُسَہُمۡ اَنۡ یَّکۡفُرُوۡا بِمَاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ بَغۡیًا اَنۡ یُّنَزِّلَ اللّٰہُ مِنۡ فَضۡلِہٖ عَلٰی مَنۡ یَّشَآءُ مِنۡ عِبَادِہٖ ۚ فَبَآءُوۡ بِغَضَبٍ عَلٰی غَضَبٍ ؕ وَ لِلۡکٰفِرِیۡنَ عَذَابٌ مُّہِیۡنٌ ﴿۰۹﴾
Bie'samash taraw biehieee anfoesahoem ay yakfoeroe biemaaa anzalal laahoe baghyan ay yoenazzielal laahoe mien fadliehiee 'alaa may yashaaa'oe mien iebaadiehiee fabaaa'oe bieghadabien 'alaa ghadab; wa lielkaafierieena 'azaaboem moehieen
2:90 Afschuwelijk is datgene (de prijs) waarvoor ze zichzelf hebben verkocht. Ze geloven niet in datgeen wat Allah heeft geopenbaard, uit afgunst (voor de boodschappers). Dit omdat Allah zijn barmhartigheid (de openbaring) neerzendt op wie van zijn dienaren Hij wil. Zo hebben ze toorn op toorn op zichzelf toegekend. En voor de ongelovigen is er een vernederende bestraffing.

وَ اِذَا قِیۡلَ لَہُمۡ اٰمِنُوۡا بِمَاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ قَالُوۡا نُؤۡمِنُ بِمَاۤ اُنۡزِلَ عَلَیۡنَا وَ یَکۡفُرُوۡنَ بِمَا وَرَآءَہٗ ٭ وَ ہُوَ الۡحَقُّ مُصَدِّقًا لِّمَا مَعَہُمۡ ؕ قُلۡ فَلِمَ تَقۡتُلُوۡنَ اَنۡۢبِیَآءَ اللّٰہِ مِنۡ قَبۡلُ اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۹﴾
Wa iezaa qieela lahoem aamienoe biemaaa anzalal laahoe qaaloe noe'mienoe biemaaa oenziela 'alainaa wa yakfoeroena biemaa waraaa'ahoe wa hoewal haqqoe moesaddieqal liemaa ma'ahoem; qoel faliema taqtoeloena Ambieyaaa'al laahie mien qabloe ien koentoem moe'mienieen
2:91 En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Geloof in wat Allah heeft geopenbaard", zeggen ze: "Wij geloven in wat aan ons is geopenbaard". En ze geloven niet in wat er naast hen (aan andere volken) is geopenbaard, terwijl het de waarheid is, en terwijl het datgeen bevestigt wat ze hebben (de Thora). Zeg: "Waarom hebben jullie dan Allah's profeten eerder gedood, als jullie gelovigen zijn?"

وَ لَقَدۡ جَآءَکُمۡ مُّوۡسٰی بِالۡبَیِّنٰتِ ثُمَّ اتَّخَذۡتُمُ الۡعِجۡلَ مِنۡۢ بَعۡدِہٖ وَ اَنۡتُمۡ ظٰلِمُوۡنَ ﴿۲۹﴾
Wa laqad djaaa'akoem Moesa bielbaiyienaatie soemmat taghaztoemoel 'iedjla miem ba'diehiee wa antoem zaaliemoen
2:92 En voorzeker, Moesa kwam tot jullie met de duidelijke bewijzen, maar na zijn vertrek namen jullie het kalf (ter aanbidding) en pleegden onrecht.

وَ اِذۡ اَخَذۡنَا مِیۡثَاقَکُمۡ وَ رَفَعۡنَا فَوۡقَکُمُ الطُّوۡرَ ؕ خُذُوۡا مَاۤ اٰتَیۡنٰکُمۡ بِقُوَّۃٍ وَّ اسۡمَعُوۡا ؕ قَالُوۡا سَمِعۡنَا وَ عَصَیۡنَا ٭ وَ اُشۡرِبُوۡا فِیۡ قُلُوۡبِہِمُ الۡعِجۡلَ بِکُفۡرِہِمۡ ؕ قُلۡ بِئۡسَمَا یَاۡمُرُکُمۡ بِہٖۤ اِیۡمَانُکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۳۹﴾
Wa iez aghaznaa mieesaaqakoem wa rafa'naa fawqa koemoet Toera ghoezoe maaa aatainaakoem bieqoewwatiew wasma'oe qaaloe samie'naa wa 'asainaa wa oeshrieboe fiee qoeloebiehiemoel 'iedjla biekoefriehiem; qoel bie'samaa yaamoeroekoem biehieee ieemaanoekoem ien koentoem moe'mienieen
2:93 En (gedenk) toen Wij het verbond met jullie aangingen. Wij deden de berg over jullie vergroten (zeggende:) "Hou stevig vast aan datgeen wat Wij jullie hebben gegeven en luister (ernaar)." Ze zeiden: "We hebben het gehoord, maar we zullen niet gehoorzamen." En hun harten waren doordrenkt met (liefde voor) het kalf vanwege hun ongeloof. Zeg: "Als jullie gelovig zijn, dan is het zeer afschuwelijk wat jullie geloof jullie beveelt te doen."

قُلۡ اِنۡ کَانَتۡ لَکُمُ الدَّارُ الۡاٰخِرَۃُ عِنۡدَ اللّٰہِ خَالِصَۃً مِّنۡ دُوۡنِ النَّاسِ فَتَمَنَّوُا الۡمَوۡتَ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۴۹﴾
Qoel ien kaanat lakoemoed Daaroel Aaghieratoe 'iendal laahie ghaaliesatam mien doenien naasie fatamannawoel mawta ien koentoem saadieqieen
2:94 Zeg: "Als het paradijs alleen voor jullie bestemd is, met de uitzondering van de mensheid, wenst dan de dood, als jullie streven naar de waarheid".

وَ لَنۡ یَّتَمَنَّوۡہُ اَبَدًۢا بِمَا قَدَّمَتۡ اَیۡدِیۡہِمۡ ؕ وَ اللّٰہُ عَلِیۡمٌۢ بِالظّٰلِمِیۡنَ ﴿۵۹﴾
Wa lay yatamannawhoe abadam biemaa qaddamat aydieehiem; wallaahoe 'alieemoem biezzaaliemieen
2:95 En nooit zullen ze het (de dood) wensen, vanwege datgeen wat hun handen hebben voortgebracht. En Allah weet alles over de onrechtplegers.

وَ لَتَجِدَنَّہُمۡ اَحۡرَصَ النَّاسِ عَلٰی حَیٰوۃٍ ۚۛ وَ مِنَ الَّذِیۡنَ اَشۡرَکُوۡا ۚۛ یَوَدُّ اَحَدُہُمۡ لَوۡ یُعَمَّرُ اَلۡفَ سَنَۃٍ ۚ وَ مَا ہُوَ بِمُزَحۡزِحِہٖ مِنَ الۡعَذَابِ اَنۡ یُّعَمَّرَ ؕ وَ اللّٰہُ بَصِیۡرٌۢ بِمَا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۶۹﴾
Wa latadjiedannahoem ahrasannaasie 'alaa hayaatiew wa mienal lazieena ashrakoe; yawaddoe ahadoehoem law yoe'ammaroe alfa sanatiew wa maa hoewa bie moezahziehiehiee mienal 'azaabie ay yoe'ammar; wallaahoe basieeroem biemaa ya'maloen
2:96 En jij (Mohammed v.z.m.h.) zult merken dat ze van alle mensen, het leven het meest begeren, zelfs meer dan de godenaanbidders. Ieder van hen zou willen dat hem een leven van duizend jaar werd geschonken. Echter, de bestraffing zal niet verwijdert worden, ook al zouden ze het geschonken krijgen. Allah ziet wat ze doen.

قُلۡ مَنۡ کَانَ عَدُوًّا لِّجِبۡرِیۡلَ فَاِنَّہٗ نَزَّلَہٗ عَلٰی قَلۡبِکَ بِاِذۡنِ اللّٰہِ مُصَدِّقًا لِّمَا بَیۡنَ یَدَیۡہِ وَ ہُدًی وَّ بُشۡرٰی لِلۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۷۹﴾
Qoel man kaana 'adoewwal lie djiebrieela fa-iennahoe nazzalahoe 'alaa qalbieka bie iezniel laahie moesaddieqal liemaa baina yadaihie wa hoedaw wa boeshraa lielmoe'mienieen
2:97 Zeg: "Wie een vijand van Djiebril (Gabriël) is, voorzeker, (weet dan dat) hij hem (de Koran) in jouw hart heeft geopenbaard. Dit met de toestemming van Allah, als bevestiging van datgeen wat er vóór (geopenbaard) was (Thora en Indjiel), als leiding, en als goed nieuws voor de gelovigen (de aankondiging van het paradijs)".

مَنۡ کَانَ عَدُوًّا لِّلّٰہِ وَ مَلٰٓئِکَتِہٖ وَ رُسُلِہٖ وَ جِبۡرِیۡلَ وَ مِیۡکٰىلَ فَاِنَّ اللّٰہَ عَدُوٌّ لِّلۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۸۹﴾
Man kaana 'adoewwal liellaahie wa malaaa'iekatiehiee wa Roesoeliehiee wa djiebrieela wa Mieekaala fa iennal laaha 'adoewwoel lielkaafierieen
2:98 En (weet) wie een vijand is voor Allah, voor zijn engelen, voor zijn boodschappers, voor Djiebriel (Gabriël) en voor Miekail, voorzeker, weet dan dat Allah een vijand is voor de ongelovigen.

وَ لَقَدۡ اَنۡزَلۡنَاۤ اِلَیۡکَ اٰیٰتٍۭ بَیِّنٰتٍ ۚ وَ مَا یَکۡفُرُ بِہَاۤ اِلَّا الۡفٰسِقُوۡنَ ﴿۹۹﴾
Wa laqad anzalnaaa ielaika Aayaatiem baiyienaatiew wa maa yakfoeroe biehaaa iellal faasieqoen
2:99 Wij hebben duidelijke verzen aan jou (Mohammed v.z.m.h.) geopenbaard. Niemand verwerpt ze behalve degenen die provocerende ongehoorzaam zijn.

اَوَ کُلَّمَا عٰہَدُوۡا عَہۡدًا نَّبَذَہٗ فَرِیۡقٌ مِّنۡہُمۡ ؕ بَلۡ اَکۡثَرُہُمۡ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۰۰۱﴾
Awa koellamaa 'aahadoe ahdan nabazahoe farieeqoem mienhoem; bal aksaroehoem laa yoe'mienoen
2:100 Was het niet zo dat telkens wanneer Wij een verbond aangingen, een deel van hen het (verbond) verwierpen? Nee, de meeste van hen geloven niet.

وَ لَمَّا جَآءَہُمۡ رَسُوۡلٌ مِّنۡ عِنۡدِ اللّٰہِ مُصَدِّقٌ لِّمَا مَعَہُمۡ نَبَذَ فَرِیۡقٌ مِّنَ الَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡکِتٰبَ ٭ۙ کِتٰبَ اللّٰہِ وَرَآءَ ظُہُوۡرِہِمۡ کَاَنَّہُمۡ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۱۰۱﴾
Wa lammaa djaaa'ahoem Rasoeloem mien 'iendiel laahie moesaddieqoel liemaa ma'ahoem nabaza farieeqoem mienal lazieena oetoel Kietaaba Kietaabal laahie waraaa'a zoehoeriehiem ka annahoem laa ya'lamoen
2:101 En wanneer er een boodschapper van Allah tot hen kwam, die bevestigde wat bij hen was (de Thora), gooide een deel van de schriftgeleerden Allah's boek achter hun ruggen. En deden net alsof ze van niets wisten.

وَ اتَّبَعُوۡا مَا تَتۡلُوا الشَّیٰطِیۡنُ عَلٰی مُلۡکِ سُلَیۡمٰنَ ۚ وَ مَا کَفَرَ سُلَیۡمٰنُ وَ لٰکِنَّ الشَّیٰطِیۡنَ کَفَرُوۡا یُعَلِّمُوۡنَ النَّاسَ السِّحۡرَ ٭ وَ مَاۤ اُنۡزِلَ عَلَی الۡمَلَکَیۡنِ بِبَابِلَ ہَارُوۡتَ وَ مَارُوۡتَ ؕ وَ مَا یُعَلِّمٰنِ مِنۡ اَحَدٍ حَتّٰی یَقُوۡلَاۤ اِنَّمَا نَحۡنُ فِتۡنَۃٌ فَلَا تَکۡفُرۡ ؕ فَیَتَعَلَّمُوۡنَ مِنۡہُمَا مَا یُفَرِّقُوۡنَ بِہٖ بَیۡنَ الۡمَرۡءِ وَ زَوۡجِہٖ ؕ وَ مَا ہُمۡ بِضَآرِّیۡنَ بِہٖ مِنۡ اَحَدٍ اِلَّا بِاِذۡنِ اللّٰہِ ؕ وَ یَتَعَلَّمُوۡنَ مَا یَضُرُّہُمۡ وَ لَا یَنۡفَعُہُمۡ ؕ وَ لَقَدۡ عَلِمُوۡا لَمَنِ اشۡتَرٰىہُ مَا لَہٗ فِی الۡاٰخِرَۃِ مِنۡ خَلَاقٍ ۟ؕ وَ لَبِئۡسَ مَا شَرَوۡا بِہٖۤ اَنۡفُسَہُمۡ ؕ لَوۡ کَانُوۡا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۲۰۱﴾
Wattaba'oe maa tatloesh Shayaatieenoe 'alaa moelkie Soelaimaana wa maa kafara Soelaimaanoe wa laakiennash Shayattieena kafaroe yoe'al liemoenan naasas siehra wa maaa oenziela 'alal malakainie bie Baabiela Haaroeta wa Maaroet; wa maa yoe'alliemaanie mien ahadien hattaa yaqoelaaa iennamaa nahnoe fietnatoen falaa takfoer fayata'al lamoena mienhoemaa maa yoefarrieqoena biehiee bainal mar'ie wa zawdjieh; wa maa hoem biedaaarrieena biehiee mien ahadien iellaa bie-iezniellah; wa yata'allamoena maa yadoerroehoem wa laa yanfa'oehoem; wa laqad 'aliemoe lamaniesh taraahoe maa lahoe fiel Aaghieratie mien ghalaaq; wa labie'sa maa sharaw biehieee anfoesahoem; law kaanoe ya'lamoen
2:102 En ze volgden wat de satans voorlazen in Soelaiman's koninkrijk. Soelaiman was niet ongelovig, maar de satans waren ongelovig. Ze onderwezen de mensen magie (Sihr) en (ze onderwezen) datgeen wat bekend was gemaakt in Babylon aan de twee engelen, Haroet en Maroet. Beide engelen zeiden, voordat ze iemand onderwezen: “Wij zijn alleen een beproeving. Dus wees niet ongelovig." Maar ze leerden van hen (de satans) datgeen wat een scheiding tussen een man en zijn echtgenote veroorzaakte. Echter, ze konden er niemand mee schaden zonder de toestemming van Allah. Ze leerden alleen wat schade teweeg bracht en niet wat hen profijt opleverden. Zonder enige twijfel, ze wisten dat er voor degene die het (de magie) koopt er geen enkel aandeel (van het paradijs) is in het hiernamaals. Het is afschuwelijk waarvoor ze zichzelf hebben verkochten. Wisten ze het maar!

وَ لَوۡ اَنَّہُمۡ اٰمَنُوۡا وَ اتَّقَوۡا لَمَثُوۡبَۃٌ مِّنۡ عِنۡدِ اللّٰہِ خَیۡرٌ ؕ لَوۡ کَانُوۡا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۳۰۱﴾
Wa law annahoem aamanoe wattaqaw lamasoebatoem mien 'iendiellaahie ghairoen law kaanoe ya'lamoen
2:103 En indien ze in Allah geloofd en gevreesd hadden, dan zou de beloning van Allah zeker beter zijn geweest. Wisten ze het maar!

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَا تَقُوۡلُوۡا رَاعِنَا وَ قُوۡلُوا انۡظُرۡنَا وَ اسۡمَعُوۡا ؕ وَ لِلۡکٰفِرِیۡنَ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۴۰۱﴾
Yaaa ayyoehal lazieena aamanoe laa taqoeloe raa'ienaa wa qoeloen zoernaa wasma'oe; wa lielkaafierieena 'azaaboen alieem
2:104 O jullie die geloven, zeg niet "Raïna", maar zeg "Oenzhoerna" en geef gehoor." Voor de ongelovigen is er een pijnlijke straf. (Notitie: Raïna en Oenzhoerna hebben dezelfde betekenis in het Arabisch, echter Raïna heeft een andere betekenis in het Hebreeuws en werd daarom gebruikt door de Joden om de Mohammed v.z.m.h. belachelijk te maken. Zie ook 4:46.)

مَا یَوَدُّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا مِنۡ اَہۡلِ الۡکِتٰبِ وَ لَا الۡمُشۡرِکِیۡنَ اَنۡ یُّنَزَّلَ عَلَیۡکُمۡ مِّنۡ خَیۡرٍ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ یَخۡتَصُّ بِرَحۡمَتِہٖ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ اللّٰہُ ذُو الۡفَضۡلِ الۡعَظِیۡمِ ﴿۵۰۱﴾
Maa yawaddoel lazieena kafaroe mien ahliel kietaabie wa lal moeshriekieena ai-yoenazzala 'alaikoem mien ghairiem mier Rabbiekoem; wallaahoe yaghtassoe bierahmatiehiee mai-yashaaa; wallaahoe zoel fadliel'azieem
2:105 De ongelovigen onder de mensen van het boek (Thora) en de godenaanbidders, haten dat het goede van jouw Heer aan jou wordt neergezonden. Allah geeft zijn Barmhartigheid aan wie van zijn dienaren Hij wil. En Allah is de bezitter van geweldige beloningen.

مَا نَنۡسَخۡ مِنۡ اٰیَۃٍ اَوۡ نُنۡسِہَا نَاۡتِ بِخَیۡرٍ مِّنۡہَاۤ اَوۡ مِثۡلِہَا ؕ اَلَمۡ تَعۡلَمۡ اَنَّ اللّٰہَ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۶۰۱﴾
Maa nansagh mien aayatien aw noensiehaa na-tie bieghairiem mienhaaa aw miesliehaaa; alam ta'lam annal laaha 'alaa koellie shai'ien qadieer
2:106 Als Wij een vers doen afschaffen of doen vergeten, dan brengen Wij iets beter of gelijkwaardig ervoor in de plaats. Ben je niet op de hoogte dat Allah de ultieme macht\zeggenschap heeft over alles?

اَلَمۡ تَعۡلَمۡ اَنَّ اللّٰہَ لَہٗ مُلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ مِنۡ وَّلِیٍّ وَّ لَا نَصِیۡرٍ ﴿۷۰۱﴾
Alam ta'lam annallaaha lahoe moelkoes samaawaatie wal ard; wa maa lakoem mien doeniel laahie miew walieyyiew wa laa nasieer
2:107 Weet je dan niet dat het koninkrijk van de hemelen en de aarde van Allah is? En er is voor jullie buiten Allah geen helper of geen beschermer.

اَمۡ تُرِیۡدُوۡنَ اَنۡ تَسۡـَٔلُوۡا رَسُوۡلَکُمۡ کَمَا سُئِلَ مُوۡسٰی مِنۡ قَبۡلُ ؕ وَ مَنۡ یَّتَبَدَّلِ الۡکُفۡرَ بِالۡاِیۡمَانِ فَقَدۡ ضَلَّ سَوَآءَ السَّبِیۡلِ ﴿۸۰۱﴾
Am toerieedoena an tas'aloe Rasoelakoem kamaa soe'iela Moesa mien qabl; wa may yatabaddaliel koefra biel ieemaanie faqad dalla sawaaa'as sabieel
2:108 Of wensen jullie jouw boodschapper te ondervragen zoals Moesa vroeger werd ondervraagd? En wie zijn geloof verruilt voor ongeloof, dan is hij zonder twijfel afgedwaald van het rechte pad.

وَدَّ کَثِیۡرٌ مِّنۡ اَہۡلِ الۡکِتٰبِ لَوۡ یَرُدُّوۡنَکُمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ اِیۡمَانِکُمۡ کُفَّارًا ۚۖ حَسَدًا مِّنۡ عِنۡدِ اَنۡفُسِہِمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ مَا تَبَیَّنَ لَہُمُ الۡحَقُّ ۚ فَاعۡفُوۡا وَ اصۡفَحُوۡا حَتّٰی یَاۡتِیَ اللّٰہُ بِاَمۡرِہٖ ؕ اِنَّ اللّٰہَ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۹۰۱﴾
Wadda kasieeroem mien ahliel kietaabie law yaroeddoe nakoem miem ba'die ieemaaniekoem koeffaaran hasadam mien 'iendie anfoesiehiem miem ba'die maa tabaiyana lahoemoel haqqoe fa'foe wasfahoe hattaa yaa tieyallaahoe bie amrieh; iennal laaha 'alaa koellie shai'ien qadieer
2:109 Velen van de mensen van het Schrift wensen dat ze jullie weer tot ongelovigen konden maken nadat jullie geloven. Dit uit jaloersheid in hunzelf, nadat de waarheid hen duidelijk is geworden. Maar vergeef en vergeet totdat Allah met zijn bevel komt. Voorzeker, Allah is almachtig over alles.

وَ اَقِیۡمُوا الصَّلٰوۃَ وَ اٰتُوا الزَّکٰوۃَ ؕ وَ مَا تُقَدِّمُوۡا لِاَنۡفُسِکُمۡ مِّنۡ خَیۡرٍ تَجِدُوۡہُ عِنۡدَ اللّٰہِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ بَصِیۡرٌ ﴿۰۱۱﴾
Wa aqieemoes salaata wa aatoez zakaah; wa maa toeqaddiemoe lie anfoesiekoem mien ghairien tadjiedoehoe 'iendal laah; iennal laaha biemaa ta'maloena basieer
2:110 En onderhoud de 'Salaat' (het contact maken met Allah, het gebed) en geef de zakaat. En datgeen wat jullie ook maar aan goede daden hebben gedaan, jullie zullen het (de beloning ervan) bij Allah aantreffen. Voorwaar, Allah is Al-Basier (Al-Ziende) over wat jullie doen.

وَ قَالُوۡا لَنۡ یَّدۡخُلَ الۡجَنَّۃَ اِلَّا مَنۡ کَانَ ہُوۡدًا اَوۡ نَصٰرٰی ؕ تِلۡکَ اَمَانِیُّہُمۡ ؕ قُلۡ ہَاتُوۡا بُرۡہَانَکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۱۱۱﴾
Wa qaaloe lay yadghoelal djannata iellaa man kaana Hoedan aw Nasaaraa; tielka amaanieyyoehoem; qoel haatoe boerhaa nakoem ien koentoem saadieqieen
2:111 En ze (de joden en de christenen) zeiden: "Niemand zal het paradijs betreden, behalve de joden of christenen". Dat zijn hun wenselijke gedachten. Zeg: “Breng jullie bewijzen als jullie streven naar de waarheid."

بَلٰی ٭ مَنۡ اَسۡلَمَ وَجۡہَہٗ لِلّٰہِ وَ ہُوَ مُحۡسِنٌ فَلَہٗۤ اَجۡرُہٗ عِنۡدَ رَبِّہٖ ۪ وَ لَا خَوۡفٌ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یَحۡزَنُوۡنَ ﴿۲۱۱﴾
Balaa man aslama wadjhahoe liellaahie wa hoewa moehsienoen falahoeo adjroehoe 'ienda rabbiehiee wa laa ghawfoen 'alaihiem wa laa hoem yahzanoen
2:112 Zeer zeker! Wie zijn gezicht keert tot Allah en hij is iemand die goed doet, voor hem is zijn beloning bij zijn Heer. En er zal geen angst over hen zijn en ze zullen niet treuren.

وَ قَالَتِ الۡیَہُوۡدُ لَیۡسَتِ النَّصٰرٰی عَلٰی شَیۡءٍ ۪ وَّ قَالَتِ النَّصٰرٰی لَیۡسَتِ الۡیَہُوۡدُ عَلٰی شَیۡءٍ ۙ وَّ ہُمۡ یَتۡلُوۡنَ الۡکِتٰبَ ؕ کَذٰلِکَ قَالَ الَّذِیۡنَ لَا یَعۡلَمُوۡنَ مِثۡلَ قَوۡلِہِمۡ ۚ فَاللّٰہُ یَحۡکُمُ بَیۡنَہُمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ فِیۡمَا کَانُوۡا فِیۡہِ یَخۡتَلِفُوۡنَ ﴿۳۱۱﴾
Wa qaalatiel Yahoedoe laisatien Nasaaraa 'alaa shai'ienw-wa qaalatien Nasaaraaa laisatiel Yahoedoe 'alaa shai'ienw'wa hoem yatloenal Kietaab; kazaalieka qaalal lazieena la ya'lamoena miesla qawliehiem; fallaahoe yahkoemoe bainahoem Yawmal Qieyaamatie fieemaa kaanoe fieehie yaghtaliefoen
2:113 En de Joden zeiden: "De christenen bevatten niets (van de openbaring)". En de christenen zeiden: "De joden bevatten niets (van de waarheid)." Ondanks, dat ze het boek lezen (en dus kennis hebben van de openbaring). Het zelfde werd gezegd door degene die geen kennis hebben (afgoddienaren). Op de dag des oordeels, zal Allah over hen oordeel treffen in datgeen waarin ze verschillen.

وَ مَنۡ اَظۡلَمُ مِمَّنۡ مَّنَعَ مَسٰجِدَ اللّٰہِ اَنۡ یُّذۡکَرَ فِیۡہَا اسۡمُہٗ وَ سَعٰی فِیۡ خَرَابِہَا ؕ اُولٰٓئِکَ مَا کَانَ لَہُمۡ اَنۡ یَّدۡخُلُوۡہَاۤ اِلَّا خَآئِفِیۡنَ ۬ؕ لَہُمۡ فِی الدُّنۡیَا خِزۡیٌ وَّ لَہُمۡ فِی الۡاٰخِرَۃِ عَذَابٌ عَظِیۡمٌ ﴿۴۱۱﴾
Wa man azlamoe miemmam-mana'a masaadjiedal laahie ai-yoezkara fieehas moehoe wa sa'aa fiee gharaabiehaaa; oelaaa'ieka maa kaana lahoem ay yadghoeloehaaa iellaa ghaaa'iefieen; lahoem fieddoenyaa ghiezyoew wa lahoem fiel aaghieratie 'azaaboen 'azieem
2:114 En wie is er meer onrechtvaardig dan iemand die verhindert om Allah's naam genoemd te worden in de Moskeeën en streeft om het te vernietigen. Ze behoren deze alleen in vrees te betreden. Voor hen is er op de wereld een vernedering en in het Hiernamaals een geweldige straf.

وَ لِلّٰہِ الۡمَشۡرِقُ وَ الۡمَغۡرِبُ ٭ فَاَیۡنَمَا تُوَلُّوۡا فَثَمَّ وَجۡہُ اللّٰہِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ وَاسِعٌ عَلِیۡمٌ ﴿۵۱۱﴾
Wa liellaahiel mashrieqoe walmaghrieb; fa aynamaa toewalloe fasamma wadjhoellaah; iennal laaha waasie'oen Alieem
2:115 En aan Allah behoren het oosten en het westen. Dus waar jullie ook keren Allah's aanzicht is daar. Voorzeker, Allah is Al-Waasi (Allesomvattend), Al-Aliem (Alwetend).

وَ قَالُوا اتَّخَذَ اللّٰہُ وَلَدًا ۙ سُبۡحٰنَہٗ ؕ بَلۡ لَّہٗ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ کُلٌّ لَّہٗ قٰنِتُوۡنَ ﴿۶۱۱﴾
Wa qaaloet taghazal laahoe waladan soebhaanahoe bal lahoe maa fies samaawaatie wal ardie koelloel lahoe qaanietoen
2:116 En ze (de christenen) zeiden: "Allah heeft Zich een zoon genomen". "Subhaan" (de ultieme perfectie zonder enige tekortkoming) is Hij! Nee! Aan Hem behoort wat er in de hemelen en op de aarde is. Allen zijn Hem nederig gehoorzaam.

بَدِیۡعُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ اِذَا قَضٰۤی اَمۡرًا فَاِنَّمَا یَقُوۡلُ لَہٗ کُنۡ فَیَکُوۡنُ ﴿۷۱۱﴾
Badieee'oes samaawaatie wal ardie wa iezaa qadaaa amran fa iennamaa yaqoeloe lahoe koen fayakoen
2:117 (Hij is) de Schepper van de hemelen en de aarde. En wanneer Hij over een zaak een besluit neemt, dan zegt Hij alleen: "Wees", en het wordt voltooid.

وَ قَالَ الَّذِیۡنَ لَا یَعۡلَمُوۡنَ لَوۡ لَا یُکَلِّمُنَا اللّٰہُ اَوۡ تَاۡتِیۡنَاۤ اٰیَۃٌ ؕ کَذٰلِکَ قَالَ الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ مِّثۡلَ قَوۡلِہِمۡ ؕ تَشَابَہَتۡ قُلُوۡبُہُمۡ ؕ قَدۡ بَیَّنَّا الۡاٰیٰتِ لِقَوۡمٍ یُّوۡقِنُوۡنَ ﴿۸۱۱﴾
Wa qaalal lazieena laa ya'lamoena law laa yoekalliemoenal laahoe aw taatieenaaa aayah; kazaalieka qaalal lazieena mien qabliehiem miesla qawliehiem; tashaabahat qoeloeboehoem; qad baiyannal aayaatie lieqawmiey yoeqienoen
2:118 En degenen die niet weten, zeiden: "Waarom spreekt Allah niet tot ons of waarom komt er geen teken tot ons?" Net zo spraken degenen die voor hen waren. Hun harten zijn gelijk. Zonder twijfel, Wij hebben de tekenen duidelijk gemaakt voor een volk dat sterk overtuigd is.

اِنَّاۤ اَرۡسَلۡنٰکَ بِالۡحَقِّ بَشِیۡرًا وَّ نَذِیۡرًا ۙ وَّ لَا تُسۡئَلُ عَنۡ اَصۡحٰبِ الۡجَحِیۡمِ ﴿۹۱۱﴾
Innaaa arsalnaaka bielhaqqie bashieeraw wa nazieeraw wa laa toes'aloe 'an Ashaabiel djahieem
2:119 Voorzeker, Wij hebben jou (Mohammed v.z.m.h.) met de waarheid gezonden, als een brenger van goed nieuws en als een waarschuwer. En je zult niet worden ondervraagd over de mensen van de hel.

وَ لَنۡ تَرۡضٰی عَنۡکَ الۡیَہُوۡدُ وَ لَا النَّصٰرٰی حَتّٰی تَتَّبِعَ مِلَّتَہُمۡ ؕ قُلۡ اِنَّ ہُدَی اللّٰہِ ہُوَ الۡہُدٰی ؕ وَ لَئِنِ اتَّبَعۡتَ اَہۡوَآءَہُمۡ بَعۡدَ الَّذِیۡ جَآءَکَ مِنَ الۡعِلۡمِ ۙ مَا لَکَ مِنَ اللّٰہِ مِنۡ وَّلِیٍّ وَّ لَا نَصِیۡرٍ ﴿۰۲۱﴾
Wa lan tardaa 'an-kal Yahoedoe wa lan Nasaaraa hattaa tattabie'a miellatahoem; qoel ienna hoedal laahie hoewalhoedaa; wa la'ieniet taba'ta ahwaaa'ahoem ba'dal laziee djaaa'aka mienal 'ielmiemaa laka mienal laahie miew walieyyiew wa laa nasieer
2:120 En de Joden en de christenen zullen nooit met jou (Mohammed v.z.m.h.) tevreden zijn, totdat je hun geloofsopvatting volgt. Zeg: "Voorzeker de Leiding van Allah, dat is de Leiding". En als je hun verlangens volgt, nadat de kennis tot je is gekomen, dan zal er geen bescherming en hulp zijn van Allah.

اَلَّذِیۡنَ اٰتَیۡنٰہُمُ الۡکِتٰبَ یَتۡلُوۡنَہٗ حَقَّ تِلَاوَتِہٖ ؕ اُولٰٓئِکَ یُؤۡمِنُوۡنَ بِہٖ ؕ وَ مَنۡ یَّکۡفُرۡ بِہٖ فَاُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡخٰسِرُوۡنَ ﴿۱۲۱﴾
Allazieena aatainaahoemoel Kietaaba yatloenahoe haqqa tielaawatiehieee oelaaa'ieka yoe'mienoena bieh; wa may yakfoer biehiee fa oelaaa'ieka hoemoel ghaasieroen
2:121 Degenen aan wie Wij het Schrift hebben gegeven, lezen het zoals het gelezen moet worden. Ze geloven erin. En wie er niet in gelooft, ze zijn de verliezers.

یٰبَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ اذۡکُرُوۡا نِعۡمَتِیَ الَّتِیۡۤ اَنۡعَمۡتُ عَلَیۡکُمۡ وَ اَنِّیۡ فَضَّلۡتُکُمۡ عَلَی الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۲۲۱﴾
Yaa Banieee Israaa'ieelaz-koeroe nie'matieyal latieee an'amtoe 'alaikoem wa anniee faddaltoekoem 'alal 'aalamieen
2:122 O Kinderen van Israël, herinner Mijn gunst die ik jullie geschonken heb en dat Ik jullie boven de wereldbewoners heb verkozen.

وَ اتَّقُوۡا یَوۡمًا لَّا تَجۡزِیۡ نَفۡسٌ عَنۡ نَّفۡسٍ شَیۡئًا وَّ لَا یُقۡبَلُ مِنۡہَا عَدۡلٌ وَّ لَا تَنۡفَعُہَا شَفَاعَۃٌ وَّ لَا ہُمۡ یُنۡصَرُوۡنَ ﴿۳۲۱﴾
Wattaqoe yawmal laa tadjziee nafsoen 'an nafsien shai 'aw wa laa yoeqbaloe mienhaa 'adloew wa laa tanfa'oehaa shafaa 'atoew wa laa hoem yoensaroen
2:123 En vrees de Dag waarop een 'Nafs' (persoon/eigen ik), een andere 'Nafs' niet kan helpen. En er zal geen vergoeding van haar aangenomen worden, noch zal er bemiddeling voor haar geaccepteerd worden. En ze zullen niet worden geholpen.

وَ اِذِ ابۡتَلٰۤی اِبۡرٰہٖمَ رَبُّہٗ بِکَلِمٰتٍ فَاَتَمَّہُنَّ ؕ قَالَ اِنِّیۡ جَاعِلُکَ لِلنَّاسِ اِمَامًا ؕ قَالَ وَ مِنۡ ذُرِّیَّتِیۡ ؕ قَالَ لَا یَنَالُ عَہۡدِی الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۴۲۱﴾
Wa iezieb talaaa Ibraahieema Rabboehoe bie Kaliemaatien fa atammahoenna qaala Inniee djaa'ieloeka liennaasie Imaaman qaala wa mien zoerrieyyatiee qaala laa yanaaloe 'ahdiez zaaliemieen
2:124 En (gedenk) toen Ibrahiem (Abraham) beproefd werd door zijn Heer met bevelen, en Hij deze (beproevingen) doorstond. Hij (Allah) zei: "Voorzeker, Ik zal u tot een 'imaam' (voorbeeld) maken voor de mensheid". Hij (Ibrahiem) zei: "En ook van mijn nageslacht?" Hij (Allah) antwoordde: "Mijn verbond bevat geen onrechtplegers".

وَ اِذۡ جَعَلۡنَا الۡبَیۡتَ مَثَابَۃً لِّلنَّاسِ وَ اَمۡنًا ؕ وَ اتَّخِذُوۡا مِنۡ مَّقَامِ اِبۡرٰہٖمَ مُصَلًّی ؕ وَ عَہِدۡنَاۤ اِلٰۤی اِبۡرٰہٖمَ وَ اِسۡمٰعِیۡلَ اَنۡ طَہِّرَا بَیۡتِیَ لِلطَّآئِفِیۡنَ وَ الۡعٰکِفِیۡنَ وَ الرُّکَّعِ السُّجُوۡدِ ﴿۵۲۱﴾
Wa iez dja'alnal Baita masaabatal liennaasie wa amnaw wattaghiezoe miem Maqaamie Ibraahieema moesallaaa; wa 'ahiednaaa ielaaa Ibraahieema wa Ismaa'ieela an tahhieraa Baitieya liettaaa'iefieena wal'aakiefieena warroekka'ies soedjoed
2:125 En (gedenk) toen Wij het Huis (de Kabah) tot een verzamelpunt voor de mensheid en een veilige plaats maakten. En neem de plaats waar Ibrahiem stond als een gebedsplaats. En Wij maakten een verbond met Ibrahiem en Ismaiel: "Reinigt Mijn huis voor diegenen die de Tawaaf verrichten, degenen die zich afzonderen voor aanbidding, degenen die zich buigen, en degenen die zich prostreren".

وَ اِذۡ قَالَ اِبۡرٰہٖمُ رَبِّ اجۡعَلۡ ہٰذَا بَلَدًا اٰمِنًا وَّ ارۡزُقۡ اَہۡلَہٗ مِنَ الثَّمَرٰتِ مَنۡ اٰمَنَ مِنۡہُمۡ بِاللّٰہِ وَ الۡیَوۡمِ الۡاٰخِرِ ؕ قَالَ وَ مَنۡ کَفَرَ فَاُمَتِّعُہٗ قَلِیۡلًا ثُمَّ اَضۡطَرُّہٗۤ اِلٰی عَذَابِ النَّارِ ؕ وَ بِئۡسَ الۡمَصِیۡرُ ﴿۶۲۱﴾
Wa iez qaala Ibraahieemoe Rabbiedj 'al haazaa baladan aamienaw warzoeq ahlahoe mienas samaraatie man aamana mienhoem biellaahie wal yawmiel aaghierie qaala wa man kafara fa-oemattie'oehoe qalieelan soemma adtarroehoeo ielaa 'azaabien Naarie wa bie'salmasieer
2:126 En (gedenk) toen Ibrahiem zei: "Mijn Heer, maak dit een veilige stad en voorzie haar bewoners, die geloven in Allah en in het Hiernamaals, met vruchten". Hij (Allah) zei: "En voor de ongelovigen zal ik ook genietingen voor een korte tijd schenken, daarna zal Ik hen drijven naar de bestraffing van het vuur. En afschuwelijk is deze bestemming!

وَ اِذۡ یَرۡفَعُ اِبۡرٰہٖمُ الۡقَوَاعِدَ مِنَ الۡبَیۡتِ وَ اِسۡمٰعِیۡلُ ؕ رَبَّنَا تَقَبَّلۡ مِنَّا ؕ اِنَّکَ اَنۡتَ السَّمِیۡعُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۷۲۱﴾
Wa iez yarfa'oe Ibraahieemoel qawaa'ieda mienal Baitiewa Ismaa'ieeloe Rabbanaa taqabbal miennaa iennaka Antas Samiee'oel Alieem
2:127 En (gedenk) toen Ibrahiem samen met Ismaiel het fundament van het Huis maakte (zeggende): "Onze Heer, aanvaard het van ons. Voorzeker, U bent de Alhorende, de Alwetende."

رَبَّنَا وَ اجۡعَلۡنَا مُسۡلِمَیۡنِ لَکَ وَ مِنۡ ذُرِّیَّتِنَاۤ اُمَّۃً مُّسۡلِمَۃً لَّکَ ۪ وَ اَرِنَا مَنَاسِکَنَا وَ تُبۡ عَلَیۡنَا ۚ اِنَّکَ اَنۡتَ التَّوَّابُ الرَّحِیۡمُ ﴿۸۲۱﴾
Rabbanaa wadj'alnaa moesliemainie laka wa mien zoerrieyyatienaaa oemmatam moesliematal laka wa arienaa manaasiekanaa wa toeb 'alainaa iennaka antat Tawwaaboer Rahieem
2:128 "Onze Heer, maak ons beide als overgegevenen aan U en maak onze nakomelingen tot een volk dat zich overgegeven heeft aan U. En onderwijs ons de manieren van aanbidding en wees genadig tot ons. Voorwaar, U bent de Meest Berouw aanvaardend, de Meest Barmhartig."

رَبَّنَا وَ ابۡعَثۡ فِیۡہِمۡ رَسُوۡلًا مِّنۡہُمۡ یَتۡلُوۡا عَلَیۡہِمۡ اٰیٰتِکَ وَ یُعَلِّمُہُمُ الۡکِتٰبَ وَ الۡحِکۡمَۃَ وَ یُزَکِّیۡہِمۡ ؕ اِنَّکَ اَنۡتَ الۡعَزِیۡزُ الۡحَکِیۡمُ ﴿۹۲۱﴾
Rabbanaa wab'as fieehiem Rasoelam mienhoem yatloe 'alaihiem aayaatieka wa yoe'alliemoehoemoel Kietaaba wal Hiekmata wa yoezakkieehiem; iennaka Antal 'Azieezoel Hakieem
2:129 "Onze Heer! En doe een boodschapper onder hen verrijzen, die Uw verzen aan hen voordraagt, die hen het Schrift en 'Al-Hikmah' (Allah's wetgeving, ethiek, etiquette, de Sunnah, de praktisatie van aanbidding) onderwijst, en die hen reinigt. Voorwaar, U bent de Almachtige, de Alwijze".

وَ مَنۡ یَّرۡغَبُ عَنۡ مِّلَّۃِ اِبۡرٰہٖمَ اِلَّا مَنۡ سَفِہَ نَفۡسَہٗ ؕ وَ لَقَدِ اصۡطَفَیۡنٰہُ فِی الدُّنۡیَا ۚ وَ اِنَّہٗ فِی الۡاٰخِرَۃِ لَمِنَ الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۰۳۱﴾
Wa may yarghaboe 'am-Miellatie Ibraahieema iellaa man safieha nafsah; wa laqadies tafainaahoe fied-doenyaa wa iennahoe fiel aaghieratie lamienas saaliehieen
2:130 En niemand keert zich af van Ibrahiem's geloofsopvatting, behalve degene die zichzelf voor de gek houdt. En voorzeker, Wij hebben hem in deze wereld gekozen, en in het Hiernamaals zal hij zeker onder de oprechten zijn.

اِذۡ قَالَ لَہٗ رَبُّہٗۤ اَسۡلِمۡ ۙ قَالَ اَسۡلَمۡتُ لِرَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۱۳۱﴾
Iz qaala lahoe Rabboehoeo asliem qaala aslamtoe lie Rabbiel 'aalamieen
2:131 En (gedenk) toen zijn Heer tot hem zei: "Onderwerp jezelf". Hij zei: "Ik heb mezelf onderworpen aan de Heer van de Werelden".

وَ وَصّٰی بِہَاۤ اِبۡرٰہٖمُ بَنِیۡہِ وَ یَعۡقُوۡبُ ؕ یٰبَنِیَّ اِنَّ اللّٰہَ اصۡطَفٰی لَکُمُ الدِّیۡنَ فَلَا تَمُوۡتُنَّ اِلَّا وَ اَنۡتُمۡ مُّسۡلِمُوۡنَ ﴿۲۳۱﴾
Wa wassaa biehaaa Ibraahieemoe banieehie wa Ya'qoeb, yaa banieyya iennal laahas tafaa lakoemoed dieena falaa tamoetoenna iellaa wa antoem moesliemoen
2:132 En Ibrahiem gaf deze erfenis aan zijn zonen en Jakob deed het ook: "O mijn zonen Allah heeft voor jullie het geloof gekozen. Dus sterf niet voordat jullie jezelf aan Allah hebben overgegeven."

اَمۡ کُنۡتُمۡ شُہَدَآءَ اِذۡ حَضَرَ یَعۡقُوۡبَ الۡمَوۡتُ ۙ اِذۡ قَالَ لِبَنِیۡہِ مَا تَعۡبُدُوۡنَ مِنۡۢ بَعۡدِیۡ ؕ قَالُوۡا نَعۡبُدُ اِلٰہَکَ وَ اِلٰـہَ اٰبَآئِکَ اِبۡرٰہٖمَ وَ اِسۡمٰعِیۡلَ وَ اِسۡحٰقَ اِلٰـہًا وَّاحِدًا ۚۖ وَّ نَحۡنُ لَہٗ مُسۡلِمُوۡنَ ﴿۳۳۱﴾
Am koentoem shoehadaaa'a iez hadara Ya'qoebal mawtoe iez qaala liebanieehie maa ta'boedoena miem ba'diee qaaloe na'boedoe ielaahaka wa ielaaha aabaaa'ieka Ibraahieema wa Ismaa'ieela wa Ishaaqa Ilaahaw waahiedaw wa nahnoe lahoe moesliemoen
2:133 Of waren jullie getuigen toen de dood bij Jakob kwam en hij zei tegen zijn zonen: "Wat zullen jullie na mij aanbidden?" Ze zeiden: "Wij zullen uw deïteit aanbidden, de deïteit\godheid van uw voorvaders, Ibrahiem, Ismaiel en Izaak, de Deïteit\Godheid die één is. En wij hebben ons aan Hem overgegeven".

تِلۡکَ اُمَّۃٌ قَدۡ خَلَتۡ ۚ لَہَا مَا کَسَبَتۡ وَ لَکُمۡ مَّا کَسَبۡتُمۡ ۚ وَ لَا تُسۡـَٔلُوۡنَ عَمَّا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۴۳۱﴾
Tielka oemmatoen qad ghalat lahaa maa kasabat wa lakoem maa kasabtoem wa laa toes'aloena 'ammaa kaanoe ya'maloen
2:134 Dit was een gemeenschap die heen is gegaan. Voor hen is wat ze verdienden en voor jullie is wat jullie verdienen. En jullie worden niet gevraagd over wat ze deden.

وَ قَالُوۡا کُوۡنُوۡا ہُوۡدًا اَوۡ نَصٰرٰی تَہۡتَدُوۡا ؕ قُلۡ بَلۡ مِلَّۃَ اِبۡرٰہٖمَ حَنِیۡفًا ؕ وَ مَا کَانَ مِنَ الۡمُشۡرِکِیۡنَ ﴿۵۳۱﴾
Wa qaaloe koenoe Hoedan aw Nasaaraa tahtadoe; qoel bal Miellata Ibraahieema Hanieefaw wa maa kaana mienal moeshriekieen
2:135 En ze zeiden: "Wees Jood of Christen, dan zullen jullie worden geleid". Zeg: "Nee! Wij volgen de geloofsopvatting van Ibrahiem, een pure monotheïst. En hij was geen afgoddienaar.

قُوۡلُوۡۤا اٰمَنَّا بِاللّٰہِ وَ مَاۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡنَا وَ مَاۤ اُنۡزِلَ اِلٰۤی اِبۡرٰہٖمَ وَ اِسۡمٰعِیۡلَ وَ اِسۡحٰقَ وَ یَعۡقُوۡبَ وَ الۡاَسۡبَاطِ وَ مَاۤ اُوۡتِیَ مُوۡسٰی وَ عِیۡسٰی وَ مَاۤ اُوۡتِیَ النَّبِیُّوۡنَ مِنۡ رَّبِّہِمۡ ۚ لَا نُفَرِّقُ بَیۡنَ اَحَدٍ مِّنۡہُمۡ ۫ۖ وَ نَحۡنُ لَہٗ مُسۡلِمُوۡنَ ﴿۶۳۱﴾
Qoeloeo aamannaa biellaahie wa maaa oenziela ielainaa wa maaa oenziela ielaaa Ibraahieema wa Ismaa'ieela wa Ishaaqa wa Ya'qoeba wal Asbaatie wa maa-oetieya Moesa wa 'Eesaa wa maaa oetieyan Nabieyyoena mier Rabbiehiem laa noefarrieqoe baina ahadiem mienhoem wa nahnoe lahoe moesliemoen
2:136 Zeg: "Wij geloven in Allah en wat aan ons is geopenbaard (via de profeet Mohammed) en wat geopenbaard is aan Ibrahiem, Ismaiel, Izaak, Jakob en Jakobs nakomelingen (Al-Asbaat). En (wij geloven) wat gegeven is aan Moesa, Isa en aan de (andere) profeten door hun Heer. Wij maken geen onderscheid tussen hen en wij hebben ons aan Hem (Allah) overgegeven.

فَاِنۡ اٰمَنُوۡا بِمِثۡلِ مَاۤ اٰمَنۡتُمۡ بِہٖ فَقَدِ اہۡتَدَوۡا ۚ وَ اِنۡ تَوَلَّوۡا فَاِنَّمَا ہُمۡ فِیۡ شِقَاقٍ ۚ فَسَیَکۡفِیۡکَہُمُ اللّٰہُ ۚ وَ ہُوَ السَّمِیۡعُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۷۳۱﴾
Fa ien aamanoe biemieslie maaa aamantoem biehiee faqadieh tadaw wa ien tawallaw fa iennamaa hoem fiee shieqaaq; fasayakfieekahoemoel laah; wa Hoewas Samiee'oel Alieem
2:137 Als ze geloven zoals jullie geloven, dan zijn ze inderdaad goed geleid. Maar indien ze zich afwenden, dan verkeren ze in conflict (met hunzelf). Allah is voldoende voor jullie (als beschermer) tegen hen. En Hij is de Alhorende, de Alwetende.

صِبۡغَۃَ اللّٰہِ ۚ وَ مَنۡ اَحۡسَنُ مِنَ اللّٰہِ صِبۡغَۃً ۫ وَّ نَحۡنُ لَہٗ عٰبِدُوۡنَ ﴿۸۳۱﴾
Siebghatal laahie wa man ahsanoe mienal laahie siebghataw wa nahnoe lahoe 'aabiedoen
2:138 Neem de natuurlijke instinct (in het aanbidden) van Allah. En wie kan er een beter instinct dan Allah geven? En wij zijn aanbidders van Hem.

قُلۡ اَتُحَآجُّوۡنَنَا فِی اللّٰہِ وَ ہُوَ رَبُّنَا وَ رَبُّکُمۡ ۚ وَ لَنَاۤ اَعۡمَالُنَا وَ لَکُمۡ اَعۡمَالُکُمۡ ۚ وَ نَحۡنُ لَہٗ مُخۡلِصُوۡنَ ﴿۹۳۱﴾
Qoel atoehaaadjdjoenanaa fiel laahie wa Hoewa Rabboenaa wa Rabboekoem wa lanaa a'maaloenaa wa lakoem a'maaloekoem wa nahnoe lahoe moeghliesoen
2:139 Zeg: "Discussiëren jullie met ons over Allah, terwijl Hij onze Heer en jullie Heer is? En wij zijn verantwoordelijk voor onze daden, en jullie zijn verantwoordelijk voor jullie daden. Dus Wij wenden ons tot Hem in oprechtheid".

اَمۡ تَقُوۡلُوۡنَ اِنَّ اِبۡرٰہٖمَ وَ اِسۡمٰعِیۡلَ وَ اِسۡحٰقَ وَ یَعۡقُوۡبَ وَ الۡاَسۡبَاطَ کَانُوۡا ہُوۡدًا اَوۡ نَصٰرٰی ؕ قُلۡ ءَاَنۡتُمۡ اَعۡلَمُ اَمِ اللّٰہُ ؕ وَ مَنۡ اَظۡلَمُ مِمَّنۡ کَتَمَ شَہَادَۃً عِنۡدَہٗ مِنَ اللّٰہِ ؕ وَ مَا اللّٰہُ بِغَافِلٍ عَمَّا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۰۴۱﴾
Am taqoeloena ienna Ibraahieema wa Ismaa'ieela wa Ishaaqa wa Ya'qoeba wal asbaata kaanoe Hoedan aw Nasaaraa; qoel 'a-antoem a'lamoe amiel laah; wa man azlamoe miemman katama shahaadatan 'iendahoe mienallaah; wa mallaahoe bieghaafielien 'ammaa ta'maloen
2:140 Of zeggen jullie (Joden en Christenen) dat Ibrahiem, Ismaiel, Izaak, Jakob en de nakomelingen van Jakob, Joden of Christenen waren? Zeg: "Weten jullie het of weet Allah het beter?" En wie is er meer onrechtvaardiger dan degene die een getuigenis die hij verkregen heeft van Allah, verborgen houdt. En Allah is niet onbewust omtrent wat jullie doen.

تِلۡکَ اُمَّۃٌ قَدۡ خَلَتۡ ۚ لَہَا مَا کَسَبَتۡ وَ لَکُمۡ مَّا کَسَبۡتُمۡ ۚ وَ لَا تُسۡـَٔلُوۡنَ عَمَّا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۱۴۱﴾
Tielka oemmatoen qad ghalat lahaa maa kasabat wa lakoem maa kasabtoem wa laa toes'aloena 'ammaa kaano ya'maloen
2:141 Dit was een gemeenschap die heen is gegaan. Voor hen is wat ze hebben verdiend, en voor jullie is wat jullie hebben verdiend. En jullie zullen niet worden ondervraagd over datgeen wat ze deden.


www.heiligekoran.nl