29 Al-Ankabut (De Spin)
بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
الٓـمّٓ ۚ﴿۱﴾
029.001 Alief-laaam-mieeem
29:1 Alief Laaam Mieeem

اَحَسِبَ النَّاسُ اَنۡ یُّتۡرَکُوۡۤا اَنۡ یَّقُوۡلُوۡۤا اٰمَنَّا وَ ہُمۡ لَا یُفۡتَنُوۡنَ ﴿۲﴾
029.002 Ahasiba alnnasu an yutrakoo an yaqooloo amanna wahum la yuftanoona
29:2 Denken de mensen dat ze met rust worden gelaten omdat ze zeggen: "Wij geloven" en dat ze niet beproefd worden?

وَ لَقَدۡ فَتَنَّا الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ فَلَیَعۡلَمَنَّ اللّٰہُ الَّذِیۡنَ صَدَقُوۡا وَ لَیَعۡلَمَنَّ الۡکٰذِبِیۡنَ ﴿۳﴾
029.003 Walaqad fatanna allatheena min qablihim falayaAAlamanna Allahu allatheena sadaqoo walayaAAlamanna alkathibeena
29:3 Waarlijk, Wij hebben de generaties die vóór hen leefden beproefd. (Zodat,) Allah het duidelijk maakt wie oprecht (in zijn geloof) is en wie liegt.

اَمۡ حَسِبَ الَّذِیۡنَ یَعۡمَلُوۡنَ السَّیِّاٰتِ اَنۡ یَّسۡبِقُوۡنَا ؕ سَآءَ مَا یَحۡکُمُوۡنَ ﴿۴﴾
029.004 Am hasiba allatheena yaAAmaloona alssayyi-ati an yasbiqoona saa ma yahkumoona
29:4 Of denken degenen die slechte daden verrichten dat ze aan Ons kunnen ontsnappen? Zeer slecht is hoe ze oordelen!

مَنۡ کَانَ یَرۡجُوۡا لِقَآءَ اللّٰہِ فَاِنَّ اَجَلَ اللّٰہِ لَاٰتٍ ؕ وَ ہُوَ السَّمِیۡعُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۵﴾
029.005 Man kana yarjoo liqaa Allahi fa-inna ajala Allahi laatin wahuwa alssameeAAu alAAaleemu
29:5 Wie naar de ontmoeting van Allah verlangt, weet dat de periode met Allah zeker zal komen! Hij is As-Samie'oe (de Alhorende), Al-Aliem (de Alwetede).

وَ مَنۡ جَاہَدَ فَاِنَّمَا یُجَاہِدُ لِنَفۡسِہٖ ؕ اِنَّ اللّٰہَ لَغَنِیٌّ عَنِ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۶﴾
029.006 Waman jahada fa-innama yujahidu linafsihi inna Allaha laghaniyyun AAani alAAalameena
29:6 En weet dat wie strijdt, alleen strijdt ten gunste voor zichzelf. Voorzeker, Allah heeft geen enkele behoefte (Al-Ghanie) aan iets van de werelden.

وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ لَنُکَفِّرَنَّ عَنۡہُمۡ سَیِّاٰتِہِمۡ وَ لَنَجۡزِیَنَّہُمۡ اَحۡسَنَ الَّذِیۡ کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۷﴾
029.007 Waallatheena amanoo waAAamiloo alssalihati lanukaffiranna AAanhum sayyi-atihim walanajziyannahum ahsana allathee kanoo yaAAmaloona
29:7 Wij zullen de slechte daden wissen voor degenen die geloven en goede daden verrichten. Wij zullen hen zeker belonen met het beste voor datgeen wat ze deden.

وَ وَصَّیۡنَا الۡاِنۡسَانَ بِوَالِدَیۡہِ حُسۡنًا ؕ وَ اِنۡ جَاہَدٰکَ لِتُشۡرِکَ بِیۡ مَا لَیۡسَ لَکَ بِہٖ عِلۡمٌ فَلَا تُطِعۡہُمَا ؕ اِلَیَّ مَرۡجِعُکُمۡ فَاُنَبِّئُکُمۡ بِمَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۸﴾
029.008 Wawassayna al-insana biwalidayhi husnan wa-in jahadaka litushrika bee ma laysa laka bihi AAilmun fala tutiAAhuma ilayya marjiAAukum faonabbi-okum bima kuntum taAAmaloona
29:8 En Wij hebben op de mens goedheid voor zijn ouders bevolen. Echter, als beide strijden tegen jou om deelgenoten aan Mij toe te kennen, waar je geen enkel kennis over hebt, gehoorzaam ze dan beiden niet. Tot mij is de terugkeer en (dan) zal ik jullie informeren over datgeen wat jullie deden.

وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ لَنُدۡخِلَنَّہُمۡ فِی الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۹﴾
029.009 Waallatheena amanoo waAAamiloo alssalihati lanudkhilannahum fee alssaliheena
29:9 (Weet dat) Wij degenen die geloven en goede daden verrichten, zeker zullen toelaten tot (de plek voor) de rechtvaardigen (het paradijs).

وَ مِنَ النَّاسِ مَنۡ یَّقُوۡلُ اٰمَنَّا بِاللّٰہِ فَاِذَاۤ اُوۡذِیَ فِی اللّٰہِ جَعَلَ فِتۡنَۃَ النَّاسِ کَعَذَابِ اللّٰہِ ؕ وَ لَئِنۡ جَآءَ نَصۡرٌ مِّنۡ رَّبِّکَ لَیَقُوۡلُنَّ اِنَّا کُنَّا مَعَکُمۡ ؕ اَوَ لَیۡسَ اللّٰہُ بِاَعۡلَمَ بِمَا فِیۡ صُدُوۡرِ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۰۱﴾
029.010 Wamina alnnasi man yaqoolu amanna biAllahi fa-itha oothiya fee Allahi jaAAala fitnata alnnasi kaAAathabi Allahi wala-in jaa nasrun min rabbika layaqoolunna inna kunna maAAakum awa laysa Allahu bi-aAAlama bima fee sudoori alAAalameena
29:10 En er zijn mensen die zeggen: "Wij geloven in Allah." Echter, wanneer hij beproefd wordt op de weg van Allah, dan beschouwt hij (de zwaarte van) de beproeving (de marteling) van de mensen gelijkwaardig aan de straf van Allah. Maar wanneer er winst/overwinning van jou Heer komt, dan zeggen ze: "Voorzeker, Wij behoren tot jullie." Is Allah niet de meest wetende (van iedereen) over datgeen wat er in de harten van de werelden is/afspeelt? (Notitie: zie 33:14 met betrekking tot het makkelijk terug keren naar ongeloof door de hypocrieten.)

وَ لَیَعۡلَمَنَّ اللّٰہُ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ لَیَعۡلَمَنَّ الۡمُنٰفِقِیۡنَ ﴿۱۱﴾
029.011 WalayaAAlamanna Allahu allatheena amanoo walayaAAlamanna almunafiqeena
29:11 Allah zal het zeker duidelijk maken wie gelooft en wie hypocriet is.

وَ قَالَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لِلَّذِیۡنَ اٰمَنُوا اتَّبِعُوۡا سَبِیۡلَنَا وَ لۡنَحۡمِلۡ خَطٰیٰکُمۡ ؕ وَ مَا ہُمۡ بِحٰمِلِیۡنَ مِنۡ خَطٰیٰہُمۡ مِّنۡ شَیۡءٍ ؕ اِنَّہُمۡ لَکٰذِبُوۡنَ ﴿۲۱﴾
029.012 Waqala allatheena kafaroo lillatheena amanoo ittabiAAoo sabeelana walnahmil khatayakum wama hum bihamileena min khatayahum min shay-in innahum lakathiboona
29:12 De ongelovigen zeiden tegen de gelovigen: "Volg onze weg en wij zullen jullie zonden dragen." Echter, ze zullen niets van hun zonden dragen. Voorzeker, ze zijn leugenaars.

وَ لَیَحۡمِلُنَّ اَثۡقَالَہُمۡ وَ اَثۡقَالًا مَّعَ اَثۡقَالِہِمۡ ۫ وَ لَیُسۡـَٔلُنَّ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ عَمَّا کَانُوۡا یَفۡتَرُوۡنَ ﴿۳۱﴾
029.013 Walayahmilunna athqalahum waathqalan maAAa athqalihim walayus-alunna yawma alqiyamati AAamma kanoo yaftaroona
29:13 Echter, ze zullen hun (eigen) lasten dragen en daarboven nog (extra) lasten (van daden die anderen doen als gevolg van hun leugens). Op de dag des oordeels, zullen ze zeker ondervraagd worden voor datgeen wat ze hebben verzonnen.

وَ لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَا نُوۡحًا اِلٰی قَوۡمِہٖ فَلَبِثَ فِیۡہِمۡ اَلۡفَ سَنَۃٍ اِلَّا خَمۡسِیۡنَ عَامًا ؕ فَاَخَذَہُمُ الطُّوۡفَانُ وَ ہُمۡ ظٰلِمُوۡنَ ﴿۴۱﴾
029.014 Walaqad arsalna noohan ila qawmihi falabitha feehim alfa sanatin illa khamseena AAaman faakhathahumu alttoofanu wahum thalimoona
29:14 Waarlijk, Wij stuurden Noeh (Noach) tot zijn volk. Hij verbleef onder hen negenhonderdvijftig jaren. Vervolgens greep de vloed hen, omdat ze misdadigers waren.

فَاَنۡجَیۡنٰہُ وَ اَصۡحٰبَ السَّفِیۡنَۃِ وَ جَعَلۡنٰہَاۤ اٰیَۃً لِّلۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۵۱﴾
029.015 Faanjaynahu waas-haba alssafeenati wajaAAalnaha ayatan lilAAalameena
29:15 Wij redden hem samen met de mensen op het schip. Wij maakten het als een teken voor de werelden.

وَ اِبۡرٰہِیۡمَ اِذۡ قَالَ لِقَوۡمِہِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ وَ اتَّقُوۡہُ ؕ ذٰلِکُمۡ خَیۡرٌ لَّکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۶۱﴾
029.016 Wa-ibraheema ith qala liqawmihi oAAbudoo Allaha waittaqoohu thalikum khayrun lakum in kuntum taAAlamoona
29:16 En (ook) Ibrahiem (Abraham), toen hij tot zijn volk zei: "Aanbid Allah en vrees Hem (vanwege jullie daden). Dat is beter voor jullie als jullie het maar wisten."

اِنَّمَا تَعۡبُدُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ اَوۡثَانًا وَّ تَخۡلُقُوۡنَ اِفۡکًا ؕ اِنَّ الَّذِیۡنَ تَعۡبُدُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ لَا یَمۡلِکُوۡنَ لَکُمۡ رِزۡقًا فَابۡتَغُوۡا عِنۡدَ اللّٰہِ الرِّزۡقَ وَ اعۡبُدُوۡہُ وَ اشۡکُرُوۡا لَہٗ ؕ اِلَیۡہِ تُرۡجَعُوۡنَ ﴿۷۱﴾
029.017 Innama taAAbudoona min dooni Allahi awthanan watakhluqoona ifkan inna allatheena taAAbudoona min dooni Allahi la yamlikoona lakum rizqan faibtaghoo AAinda Allahi alrrizqa waoAAbudoohu waoshkuroo lahu ilayhi turjaAAoona
29:17 "Jullie aanbidden naast Allah alleen maar beelden en jullie verzinnen leugens. Voorzeker, datgeen wat jullie naast Allah aanbidden verschaft geen voorzieningen aan jullie. Dus zoek jullie voorzieningen bij Allah, aanbid Hem en wees Hem dankbaar. Tot Hem zullen jullie terugkeren."

وَ اِنۡ تُکَذِّبُوۡا فَقَدۡ کَذَّبَ اُمَمٌ مِّنۡ قَبۡلِکُمۡ ؕ وَ مَا عَلَی الرَّسُوۡلِ اِلَّا الۡبَلٰغُ الۡمُبِیۡنُ ﴿۸۱﴾
029.018 Wa-in tukaththiboo faqad kaththaba omamun min qablikum wama AAala alrrasooli illa albalaghu almubeenu
29:18 "En als jullie (de waarheid) verwerpen, waarlijk weet dan de generaties die voor jullie leefden ook verwierpen. Er rust alleen de duidelijke verkondiging op de boodschapper."

اَوَ لَمۡ یَرَوۡا کَیۡفَ یُبۡدِئُ اللّٰہُ الۡخَلۡقَ ثُمَّ یُعِیۡدُہٗ ؕ اِنَّ ذٰلِکَ عَلَی اللّٰہِ یَسِیۡرٌ ﴿۹۱﴾
029.019 Awa lam yaraw kayfa yubdi-o Allahu alkhalqa thumma yuAAeeduhu inna thalika AAala Allahi yaseerun
29:19 Zien ze niet hoe Allah met de schepping begint en dan vervolgens deze herhaalt? Voorzeker, dat is voor Allah makkelijk.

قُلۡ سِیۡرُوۡا فِی الۡاَرۡضِ فَانۡظُرُوۡا کَیۡفَ بَدَاَ الۡخَلۡقَ ثُمَّ اللّٰہُ یُنۡشِیُٔ النَّشۡاَۃَ الۡاٰخِرَۃَ ؕ اِنَّ اللّٰہَ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۰۲﴾
029.020 Qul seeroo fee al-ardi faonthuroo kayfa badaa alkhalqa thumma Allahu yunshi-o alnnash-ata al-akhirata inna Allaha AAala kulli shay-in qadeerun
29:20 Zeg: "Reis op de aarde en zie wat Hij heeft geschapen. (Weet dat alles zal vergaan en) Vervolgens, zal Allah de laatste schepping tot stand brengen. Allah is over alles Al-Qadier (Degene Die in staat is om alles te doen wat Hij wil)."

یُعَذِّبُ مَنۡ یَّشَآءُ وَ یَرۡحَمُ مَنۡ یَّشَآءُ ۚ وَ اِلَیۡہِ تُقۡلَبُوۡنَ ﴿۱۲﴾
029.021 YuAAaththibu man yashao wayarhamu man yashao wa-ilayhi tuqlaboona
29:21 "Hij straft wie hij wilt en (genadigt) schenkt Zijn barmhartigheid op wie Hij wilt en tot Hem zullen jullie terugkeren."

وَ مَاۤ اَنۡتُمۡ بِمُعۡجِزِیۡنَ فِی الۡاَرۡضِ وَ لَا فِی السَّمَآءِ ۫ وَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ مِنۡ وَّلِیٍّ وَّ لَا نَصِیۡرٍ ﴿۲۲﴾
029.022 Wama antum bimuAAjizeena fee al-ardi wala fee alssama-i wama lakum min dooni Allahi min waliyyin wala naseerin
29:22 "Jullie kunnen niet ontsnappen op de aarde, noch in de hemelen. Noch is er een beschermer, noch een helper voor jullie naast Allah."

وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا بِاٰیٰتِ اللّٰہِ وَ لِقَآئِہٖۤ اُولٰٓئِکَ یَئِسُوۡا مِنۡ رَّحۡمَتِیۡ وَ اُولٰٓئِکَ لَہُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۳۲﴾
029.023 Waallatheena kafaroo bi-ayati Allahi waliqa-ihi ola-ika ya-isoo min rahmatee waola-ika lahum AAathabun aleemun
29:23 Degenen die niet geloven in de "Ayahs" (tekenen, verzen) van Allah en niet geloven in de ontmoeting met Hem, zij hebben geen hoop op Mijn Barmhartigheid. Voor hen is er een pijnlijke straf.

فَمَا کَانَ جَوَابَ قَوۡمِہٖۤ اِلَّاۤ اَنۡ قَالُوا اقۡتُلُوۡہُ اَوۡ حَرِّقُوۡہُ فَاَنۡجٰىہُ اللّٰہُ مِنَ النَّارِ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ لِّقَوۡمٍ یُّؤۡمِنُوۡنَ ﴿۴۲﴾
029.024 Fama kana jawaba qawmihi illa an qaloo oqtuloohu aw harriqoohu faanjahu Allahu mina alnnari inna fee thalika laayatin liqawmin yu/minoona
29:24 Het antwoord van zijn (Ibrahiem's) volk was alleen: "Doodt hem of verbrandt hem!" Maar Allah redde hem van het vuur. Voorzeker, daarin zijn zeker tekenen voor een volk dat gelooft.

وَ قَالَ اِنَّمَا اتَّخَذۡتُمۡ مِّنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ اَوۡثَانًا ۙ مَّوَدَّۃَ بَیۡنِکُمۡ فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ۚ ثُمَّ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ یَکۡفُرُ بَعۡضُکُمۡ بِبَعۡضٍ وَّ یَلۡعَنُ بَعۡضُکُمۡ بَعۡضًا ۫ وَّ مَاۡوٰىکُمُ النَّارُ وَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ نّٰصِرِیۡنَ ﴿۵۲﴾
029.025 Waqala innama ittakhathtum min dooni Allahi awthanan mawaddata baynikum fee alhayati alddunya thumma yawma alqiyamati yakfuru baAAdukum bibaAAdin wayalAAanu baAAdukum baAAdan wama-wakumu alnnaru wama lakum min nasireena
29:25 En (vervolgens) zei hij (Ibrahiem): "Jullie hebben alleen beelden (ter aanbidding) naast Allah genomen, om de liefdesband tussen jullie in het huidige leven te vergroten. Vervolgens, zullen jullie elkaar verwerpen en vervloeken op de dag van de wederopstanding. Jullie zullen in het vuur verblijven en er zal geen helpers voor jullie zijn."

فَاٰمَنَ لَہٗ لُوۡطٌ ۘ وَ قَالَ اِنِّیۡ مُہَاجِرٌ اِلٰی رَبِّیۡ ؕ اِنَّہٗ ہُوَ الۡعَزِیۡزُ الۡحَکِیۡمُ ﴿۶۲﴾
029.026 Faamana lahu lootun waqala innee muhajirun ila rabbee innahu huwa alAAazeezu alhakeemu
29:26 Loeth (Lot) geloofde hem (Ibrahiem) en zei: "Ik zal emigreren ter wille van mijn Heer. Voorzeker, Hij is Al-Aziez (de Almachtige), Al-Hakiem (de Alwijze)."

وَ وَہَبۡنَا لَہٗۤ اِسۡحٰقَ وَ یَعۡقُوۡبَ وَ جَعَلۡنَا فِیۡ ذُرِّیَّتِہِ النُّبُوَّۃَ وَ الۡکِتٰبَ وَ اٰتَیۡنٰہُ اَجۡرَہٗ فِی الدُّنۡیَا ۚ وَ اِنَّہٗ فِی الۡاٰخِرَۃِ لَمِنَ الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۷۲﴾
029.027 Wawahabna lahu ishaqa wayaAAqooba wajaAAalna fee thurriyyatihi alnnubuwwata waalkitaba waataynahu ajrahu fee alddunya wa-innahu fee al-akhirati lamina alssaliheena
29:27 Wij schonken hem (Ibrahiem), Izaak en Jakoeb (Jakob). En Wij plaatsten het profeetschap en het boek onder zijn nakomelingen. Wij gaven hem zijn beloning gedurende het wereldse leven en voorzeker, in het hiernamaals zal hij zich zeker bevinden tussen (de plek waar) de rechtvaardigen (verblijven).

وَ لُوۡطًا اِذۡ قَالَ لِقَوۡمِہٖۤ اِنَّکُمۡ لَتَاۡتُوۡنَ الۡفَاحِشَۃَ ۫ مَا سَبَقَکُمۡ بِہَا مِنۡ اَحَدٍ مِّنَ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۸۲﴾
029.028 Walootan ith qala liqawmihi innakum lata/toona alfahishata ma sabaqakum biha min ahadin mina alAAalameena
29:28 En (gedenk) Loeth toen hij tot zijn volk zei: "Voorzeker, jullie begaan zo een onzedelijkheid die door niemand op de wereld eerder is begaan!" (Notitie: zie ook 7:80 en 27:54)

اَئِنَّکُمۡ لَتَاۡتُوۡنَ الرِّجَالَ وَ تَقۡطَعُوۡنَ السَّبِیۡلَ ۬ۙ وَ تَاۡتُوۡنَ فِیۡ نَادِیۡکُمُ الۡمُنۡکَرَ ؕ فَمَا کَانَ جَوَابَ قَوۡمِہٖۤ اِلَّاۤ اَنۡ قَالُوا ائۡتِنَا بِعَذَابِ اللّٰہِ اِنۡ کُنۡتَ مِنَ الصّٰدِقِیۡنَ ﴿۹۲﴾
029.029 A-innakum lata/toona alrrijala wataqtaAAoona alssabeela wata/toona fee nadeekumu almunkara fama kana jawaba qawmihi illa an qaloo i/tina biAAathabi Allahi in kunta mina alssadiqeena
29:29 "Benaderen jullie de mannen (met lust), beroven jullie de reizigers en plegen jullie vreselijke daden wanneer jullie samenkomen?! Het antwoord van zijn volk was alleen: "Breng dan Allah's straf op ons, als jij de waarheid spreekt."

قَالَ رَبِّ انۡصُرۡنِیۡ عَلَی الۡقَوۡمِ الۡمُفۡسِدِیۡنَ ﴿۰۳﴾
029.030 Qala rabbi onsurnee AAala alqawmi almufsideena
29:30 Hij (Loeth) zei: "Mijn Heer! Help mij tegen het volk dat verderf zaait."

وَ لَمَّا جَآءَتۡ رُسُلُنَاۤ اِبۡرٰہِیۡمَ بِالۡبُشۡرٰی ۙ قَالُوۡۤا اِنَّا مُہۡلِکُوۡۤا اَہۡلِ ہٰذِہِ الۡقَرۡیَۃِ ۚ اِنَّ اَہۡلَہَا کَانُوۡا ظٰلِمِیۡنَ ﴿۱۳﴾
029.031 Walamma jaat rusuluna ibraheema bialbushra qaloo inna muhlikoo ahli hathihi alqaryati inna ahlaha kanoo thalimeena
29:31 Toen (daarna) Onze boodschappers tot Ibrahiem kwamen met het goede nieuws (dat hij oprechte kinderen zou krijgen), zeiden ze: "Voorzeker, wij gaan het volk van deze stad vernietigen. Zijn inwoners zijn misdadigers."

قَالَ اِنَّ فِیۡہَا لُوۡطًا ؕ قَالُوۡا نَحۡنُ اَعۡلَمُ بِمَنۡ فِیۡہَا ٝ۫ لَنُنَجِّیَنَّہٗ وَ اَہۡلَہٗۤ اِلَّا امۡرَاَتَہٗ ٭۫ کَانَتۡ مِنَ الۡغٰبِرِیۡنَ ﴿۲۳﴾
029.032 Qala inna feeha lootan qaloo nahnu aAAlamu biman feeha lanunajjiyannahu waahlahu illa imraatahu kanat mina alghabireena
29:32 Hij (Ibrahiem) zei: "(Maar) Loeth is daar!" Ze zeiden: "Wij zijn beter op de hoogte van wie daar allemaal zijn. Wij zullen hem en zijn familie zeker redden. Behalve zijn vrouw, ze behoort tot degenen die achterblijven."

وَ لَمَّاۤ اَنۡ جَآءَتۡ رُسُلُنَا لُوۡطًا سِیۡٓءَ بِہِمۡ وَ ضَاقَ بِہِمۡ ذَرۡعًا وَّ قَالُوۡا لَا تَخَفۡ وَ لَا تَحۡزَنۡ ۟ اِنَّا مُنَجُّوۡکَ وَ اَہۡلَکَ اِلَّا امۡرَاَتَکَ کَانَتۡ مِنَ الۡغٰبِرِیۡنَ ﴿۳۳﴾
029.033 Walamma an jaat rusuluna lootan see-a bihim wadaqa bihim tharAAan waqaloo la takhaf wala tahzan inna munajjooka waahlaka illa imraataka kanat mina alghabireena
29:33 Toen Onze boodschappers tot Loeth kwamen, was hij bedroefd om hen en voelde zich benauwd en ongemakkelijk. Ze zeiden: "Wees niet bang en treur niet! Wij zullen jou en jouw familie redden. Behalve jouw vrouw, zij behoort tot de achterblijvers (die vernietigd zullen worden)."

اِنَّا مُنۡزِلُوۡنَ عَلٰۤی اَہۡلِ ہٰذِہِ الۡقَرۡیَۃِ رِجۡزًا مِّنَ السَّمَآءِ بِمَا کَانُوۡا یَفۡسُقُوۡنَ ﴿۴۳﴾
029.034 Inna munziloona AAala ahli hathihi alqaryati rijzan mina alssama-i bima kanoo yafsuqoona
29:34 "Wij zullen een straf vanuit de hemel neer dalen op de bewoners van deze stad, omdat ze provocerend ongehoorzaam zijn."

وَ لَقَدۡ تَّرَکۡنَا مِنۡہَاۤ اٰیَۃًۢ بَیِّنَۃً لِّقَوۡمٍ یَّعۡقِلُوۡنَ ﴿۵۳﴾
029.035 Walaqad tarakna minha ayatan bayyinatan liqawmin yaAAqiloona
29:35 Waarlijk, Wij hebben een teken nagelaten als bewijs (van de gebeurtenis) voor een volk dat hun verstand gebruikt.

وَ اِلٰی مَدۡیَنَ اَخَاہُمۡ شُعَیۡبًا ۙ فَقَالَ یٰقَوۡمِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ وَ ارۡجُوا الۡیَوۡمَ الۡاٰخِرَ وَ لَا تَعۡثَوۡا فِی الۡاَرۡضِ مُفۡسِدِیۡنَ ﴿۶۳﴾
029.036 Wa-ila madyana akhahum shuAAayban faqala ya qawmi oAAbudoo Allaha waorjoo alyawma al-akhira wala taAAthaw fee al-ardi mufsideena
29:36 En tot (de inwoners van de stad) Madyan (zonden Wij) hun broeder Shoeaib, hij zei: "O mijn volk! Aanbid Allah, verwacht de laatste dag en verricht geen kwaad als verderfzaaiers op de aarde."

فَکَذَّبُوۡہُ فَاَخَذَتۡہُمُ الرَّجۡفَۃُ فَاَصۡبَحُوۡا فِیۡ دَارِہِمۡ جٰثِمِیۡنَ ﴿۷۳﴾
029.037 Fakaththaboohu faakhathat-humu alrrajfatu faasbahoo fee darihim jathimeena
29:37 Echter, ze verwierpen hem, dus greep de aardbeving hen en ze vielen dood neer, uitgestrekt in hun huizen.

وَ عَادًا وَّ ثَمُوۡدَا۠ وَ قَدۡ تَّبَیَّنَ لَکُمۡ مِّنۡ مَّسٰکِنِہِمۡ ۟ وَ زَیَّنَ لَہُمُ الشَّیۡطٰنُ اَعۡمَالَہُمۡ فَصَدَّہُمۡ عَنِ السَّبِیۡلِ وَ کَانُوۡا مُسۡتَبۡصِرِیۡنَ ﴿۸۳﴾
029.038 WaAAadan wathamooda waqad tabayyana lakum min masakinihim wazayyana lahumu alshshaytanu aAAmalahum fasaddahum AAani alssabeeli wakanoo mustabsireena
29:38 En (ook het volk) Aad en Thamoed (werden vernietigd). Waarlijk, (hun afrekening) is voor jullie duidelijk zichtbaar door hun (verwoeste) woningen. De satan deed hun daden doen schoon schijnen en deed hen van het rechte pad afkeren, ondanks dat ze de leiding van Allah hadden gekregen. (Notitie: zie ook 41:17)

وَ قَارُوۡنَ وَ فِرۡعَوۡنَ وَ ہَامٰنَ ۟ وَ لَقَدۡ جَآءَہُمۡ مُّوۡسٰی بِالۡبَیِّنٰتِ فَاسۡتَکۡبَرُوۡا فِی الۡاَرۡضِ وَ مَا کَانُوۡا سٰبِقِیۡنَ ﴿۹۳﴾
029.039 Waqaroona wafirAAawna wahamana walaqad jaahum moosa bialbayyinati faistakbaroo fee al-ardi wama kanoo sabiqeena
29:39 En (ook) Qarun, Farao en Haman (werden vernietigd). Waarlijk, Moesa (Mozes) kwam tot hen met duidelijke bewijzen, maar ze gedroegen zich hoogmoedig op de aarde. Echter, ze konden niet aan Ons ontkomen (de straf).

فَکُلًّا اَخَذۡنَا بِذَنۡۢبِہٖ ۚ فَمِنۡہُمۡ مَّنۡ اَرۡسَلۡنَا عَلَیۡہِ حَاصِبًا ۚ وَ مِنۡہُمۡ مَّنۡ اَخَذَتۡہُ الصَّیۡحَۃُ ۚ وَ مِنۡہُمۡ مَّنۡ خَسَفۡنَا بِہِ الۡاَرۡضَ ۚ وَ مِنۡہُمۡ مَّنۡ اَغۡرَقۡنَا ۚ وَ مَا کَانَ اللّٰہُ لِیَظۡلِمَہُمۡ وَ لٰکِنۡ کَانُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ یَظۡلِمُوۡنَ ﴿۰۴﴾
029.040 Fakullan akhathna bithanbihi faminhum man arsalna AAalayhi hasiban waminhum man akhathat-hu alssayhatu waminhum man khasafna bihi al-arda waminhum man aghraqna wama kana Allahu liyathlimahum walakin kanoo anfusahum yathlimoona
29:40 Dus, Wij grepen elk van hen voor hun zonden. Op sommige zonden Wij een gewelddadige storm (met stenen), anderen werden door een afschuwelijke geluid/explosie/donder gegrepen, en weer anderen deden Wij opslokken door de aarde of Wij lieten hen verdrinken. Allah was niet misdadig tegen hen, maar zij zelf waren de misdadigers.

مَثَلُ الَّذِیۡنَ اتَّخَذُوۡا مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ اَوۡلِیَآءَ کَمَثَلِ الۡعَنۡکَبُوۡتِ ۖۚ اِتَّخَذَتۡ بَیۡتًا ؕ وَ اِنَّ اَوۡہَنَ الۡبُیُوۡتِ لَبَیۡتُ الۡعَنۡکَبُوۡتِ ۘ لَوۡ کَانُوۡا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۱۴﴾
029.041 Mathalu allatheena ittakhathoo min dooni Allahi awliyaa kamathali alAAankabooti ittakhathat baytan wa-inna awhana albuyooti labaytu alAAankabooti law kanoo yaAAlamoona
29:41 (Een) vergelijking van degenen die naast Allah 'Awliyas' (beschermer, vriend, etc) nemen, is als een spin die voor zichzelf een huis bouwt. Voorzeker, de zwakste van alle huizen, is zeker het huis van de spin. Wisten ze het maar.

اِنَّ اللّٰہَ یَعۡلَمُ مَا یَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِہٖ مِنۡ شَیۡءٍ ؕ وَ ہُوَ الۡعَزِیۡزُ الۡحَکِیۡمُ ﴿۲۴﴾
029.042 Inna Allaha yaAAlamu ma yadAAoona min doonihi min shay-in wahuwa alAAazeezu alhakeemu
29:42 Voorzeker, Allah weet welke dingen ze naast Hem aanroepen. Hij is Al-Aziez (de Almachtige), de Al-Hakiem (de Alwijze).

وَ تِلۡکَ الۡاَمۡثَالُ نَضۡرِبُہَا لِلنَّاسِ ۚ وَ مَا یَعۡقِلُہَاۤ اِلَّا الۡعٰلِمُوۡنَ ﴿۳۴﴾
029.043 Watilka al-amthalu nadribuha lilnnasi wama yaAAqiluha illa alAAalimoona
29:43 Deze vergelijkingen geven Wij aan de mensheid, echter alleen de mensen met kennis zullen het begrijpen.

خَلَقَ اللّٰہُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ بِالۡحَقِّ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً لِّلۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۴۴﴾
029.044 Khalaqa Allahu alssamawati waal-arda bialhaqqi inna fee thalika laayatan lilmu-mineena
29:44 Allah schiep de hemelen en de aarde in waarheid. Daarin is zeker een teken voor de gelovigen.

اُتۡلُ مَاۤ اُوۡحِیَ اِلَیۡکَ مِنَ الۡکِتٰبِ وَ اَقِمِ الصَّلٰوۃَ ؕ اِنَّ الصَّلٰوۃَ تَنۡہٰی عَنِ الۡفَحۡشَآءِ وَ الۡمُنۡکَرِ ؕ وَ لَذِکۡرُ اللّٰہِ اَکۡبَرُ ؕ وَ اللّٰہُ یَعۡلَمُ مَا تَصۡنَعُوۡنَ ﴿۵۴﴾
029.045 Otlu ma oohiya ilayka mina alkitabi waaqimi alssalata inna alssalata tanha AAani alfahsha-i waalmunkari walathikru Allahi akbaru waAllahu yaAAlamu ma tasnaAAoona
29:45 Reciteer van het boek (de Koran) wat aan jou geopenbaard is en verricht de 'Salaat' (het gebed). Voorzeker, de 'Salaat' onthoudt van het begaan van zedeloosheid en kwade daden. En het gedenken van Allah is het beste. Allah weet wat jullie doen.

وَ لَا تُجَادِلُوۡۤا اَہۡلَ الۡکِتٰبِ اِلَّا بِالَّتِیۡ ہِیَ اَحۡسَنُ ٭ۖ اِلَّا الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا مِنۡہُمۡ وَ قُوۡلُوۡۤا اٰمَنَّا بِالَّذِیۡۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡنَا وَ اُنۡزِلَ اِلَیۡکُمۡ وَ اِلٰـہُنَا وَ اِلٰـہُکُمۡ وَاحِدٌ وَّ نَحۡنُ لَہٗ مُسۡلِمُوۡنَ ﴿۶۴﴾
029.046 Wala tujadiloo ahla alkitabi illa biallatee hiya ahsanu illa allatheena thalamoo minhum waqooloo amanna biallathee onzila ilayna waonzila ilaykum wa-ilahuna wa-ilahukum wahidun wanahnu lahu muslimoona
29:46 En discussieer niet met de mensen van het boek (Joden en Christenen), tenzij het op een goede manier gebeurt. Met uitzondering als ze een misdaad begaan (zoals Shirek zie 31:13, strijd dan met de Koran 25:52). En zeg: "Wij geloven in datgeen wat aan ons is geopenbaard en wat aan jullie is geopenbaard. Onze godheid en jullie godheid is één. Wij onderwerpen onszelf aan Hem."

وَ کَذٰلِکَ اَنۡزَلۡنَاۤ اِلَیۡکَ الۡکِتٰبَ ؕ فَالَّذِیۡنَ اٰتَیۡنٰہُمُ الۡکِتٰبَ یُؤۡمِنُوۡنَ بِہٖ ۚ وَ مِنۡ ہٰۤؤُلَآءِ مَنۡ یُّؤۡمِنُ بِہٖ ؕ وَ مَا یَجۡحَدُ بِاٰیٰتِنَاۤ اِلَّا الۡکٰفِرُوۡنَ ﴿۷۴﴾
029.047 Wakathalika anzalna ilayka alkitaba faallatheena ataynahumu alkitaba yu/minoona bihi wamin haola-i man yu/minu bihi wama yajhadu bi-ayatina illa alkafiroona
29:47 Daarom hebben Wij het boek (de Koran) aan jou neer gezonden. Zodat degenen die het schrift (de Torah, Indjiel) hebben gekregen, erin (kunnen) geloven. En onder deze (bewoners, de Arabieren,) zijn er enkele die erin geloven. En niemand verwerpt Onze 'Ayahs' (verzen\tekenen) behalve de ongelovigen.

وَ مَا کُنۡتَ تَتۡلُوۡا مِنۡ قَبۡلِہٖ مِنۡ کِتٰبٍ وَّ لَا تَخُطُّہٗ بِیَمِیۡنِکَ اِذًا لَّارۡتَابَ الۡمُبۡطِلُوۡنَ ﴿۸۴﴾
029.048 Wama kunta tatloo min qablihi min kitabin wala takhuttuhu biyameenika ithan lairtaba almubtiloona
29:48 Jij (Mohammed v.z.m.h.) hebt hiervoor (voor de openbaringen) geen enkel boek (op)gelezen, noch heb jij iets met je rechter hand geschreven. Anders zouden de aanhangers van de valsheid zeker een reden hebben voor (het verspreiden) van twijfel.

بَلۡ ہُوَ اٰیٰتٌۢ بَیِّنٰتٌ فِیۡ صُدُوۡرِ الَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡعِلۡمَ ؕ وَ مَا یَجۡحَدُ بِاٰیٰتِنَاۤ اِلَّا الظّٰلِمُوۡنَ ﴿۹۴﴾
029.049 Bal huwa ayatun bayyinatun fee sudoori allatheena ootoo alAAilma wama yajhadu bi-ayatina illa alththalimoona
29:49 Nee! Het zijn de duidelijke verzen die in de harten leven van degenen waaraan kennis is gegeven. En niemand verwerpt Onze 'Ayahs' (verzen\tekenen) behalve de misdadigers (polytheïsten).

وَ قَالُوۡا لَوۡ لَاۤ اُنۡزِلَ عَلَیۡہِ اٰیٰتٌ مِّنۡ رَّبِّہٖ ؕ قُلۡ اِنَّمَا الۡاٰیٰتُ عِنۡدَ اللّٰہِ ؕ وَ اِنَّمَاۤ اَنَا نَذِیۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۰۵﴾
029.050 Waqaloo lawla onzila AAalayhi ayatun min rabbihi qul innama al-ayatu AAinda Allahi wa-innama ana natheerun mubeenun
29:50 En ze zeiden: "Waarom zijn er geen tekenen van zijn Heer tot hem neergezonden?" Zeg:" De tekenen (en het recht om het te openbaren) behoren alleen tot Allah. Ik ben alleen een duidelijke waarschuwer."

اَوَ لَمۡ یَکۡفِہِمۡ اَنَّاۤ اَنۡزَلۡنَا عَلَیۡکَ الۡکِتٰبَ یُتۡلٰی عَلَیۡہِمۡ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَرَحۡمَۃً وَّ ذِکۡرٰی لِقَوۡمٍ یُّؤۡمِنُوۡنَ ﴿۱۵﴾
029.051 Awa lam yakfihim anna anzalna AAalayka alkitaba yutla AAalayhim inna fee thalika larahmatan wathikra liqawmin yu/minoona
29:51 Is het niet voldoende voor hen dat Wij aan jou het boek openbaren, welke aan hen wordt opgelezen? Voorzeker, daarin is zeker een barmhartigheid en herinnering (van jouw Heer) voor een volk dat gelooft.

قُلۡ کَفٰی بِاللّٰہِ بَیۡنِیۡ وَ بَیۡنَکُمۡ شَہِیۡدًا ۚ یَعۡلَمُ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا بِالۡبَاطِلِ وَ کَفَرُوۡا بِاللّٰہِ ۙ اُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡخٰسِرُوۡنَ ﴿۲۵﴾
029.052 Qul kafa biAllahi baynee wabaynakum shaheedan yaAAlamu ma fee alssamawati waal-ardi waallatheena amanoo bialbatili wakafaroo biAllahi ola-ika humu alkhasiroona
29:52 Zeg: "Allah is voldoende als getuige tussen mij en jullie. Hij weet wat er in de hemelen en op de aarde (gaande) is. Degenen die in de valsheid en (dus) niet in Allah geloven, zij zijn de verliezers."

وَ یَسۡتَعۡجِلُوۡنَکَ بِالۡعَذَابِ ؕ وَ لَوۡ لَاۤ اَجَلٌ مُّسَمًّی لَّجَآءَہُمُ الۡعَذَابُ ؕ وَ لَیَاۡتِیَنَّہُمۡ بَغۡتَۃً وَّ ہُمۡ لَا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿۳۵﴾
029.053 WayastaAAjiloonaka bialAAathabi walawla ajalun musamman lajaahumu alAAathabu walaya/tiyannahum baghtatan wahum la yashAAuroona
29:53 Ze vragen jou om de straf te verhaasten. Als het termijn niet was vastgesteld, dan zou de straf zeker tot hen zijn gekomen. Maar het zal zonder twijfel tot hen plotseling komen, ze zullen het niet zien aankomen.

یَسۡتَعۡجِلُوۡنَکَ بِالۡعَذَابِ ؕ وَ اِنَّ جَہَنَّمَ لَمُحِیۡطَۃٌۢ بِالۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۴۵﴾
029.054 YastaAAjiloonaka bialAAathabi wa-inna jahannama lamuheetatun bialkafireena
29:54 Ze vragen jou om de straf te verhaasten. Voorzeker, de hel zal zonder enige twijfel de ongelovigen omvatten.

یَوۡمَ یَغۡشٰہُمُ الۡعَذَابُ مِنۡ فَوۡقِہِمۡ وَ مِنۡ تَحۡتِ اَرۡجُلِہِمۡ وَ یَقُوۡلُ ذُوۡقُوۡا مَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۵۵﴾
029.055 Yawma yaghshahumu alAAathabu min fawqihim wamin tahti arjulihim wayaqoolu thooqoo ma kuntum taAAmaloona
29:55 Op de dag (des oordeels) zal de straf hun bedekken vanaf boven hen tot aan de onderkant van hun voeten. Hij (Allah) zal zeggen: "Proef datgeen wat jullie deden."

یٰعِبَادِیَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اِنَّ اَرۡضِیۡ وَاسِعَۃٌ فَاِیَّایَ فَاعۡبُدُوۡنِ ﴿۶۵﴾
029.056 Ya AAibadiya allatheena amanoo inna ardee wasiAAatun fa-iyyaya faoAAbudooni
29:56 O mijn dienaren, die geloven! Voorzeker, mijn aarde is ruim, dus aanbid Mij alleen!

کُلُّ نَفۡسٍ ذَآئِقَۃُ الۡمَوۡتِ ۟ ثُمَّ اِلَیۡنَا تُرۡجَعُوۡنَ ﴿۷۵﴾
029.057 Kullu nafsin tha-iqatu almawti thumma ilayna turjaAAoona
29:57 Elke 'Nafs' (persoon/eigen ik) zal de dood proeven. Vervolgens zullen jullie tot Ons terugkeren.

وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ لَنُبَوِّئَنَّہُمۡ مِّنَ الۡجَنَّۃِ غُرَفًا تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا ؕ نِعۡمَ اَجۡرُ الۡعٰمِلِیۡنَ ﴿۸۵﴾
029.058 Waallatheena amanoo waAAamiloo alssalihati lanubawwi-annahum mina aljannati ghurafan tajree min tahtiha al-anharu khalideena feeha niAAma ajru alAAamileena
29:58 Degenen die geloven en goede daden verrichten, (weet dat) Wij hen zeker een verheven plek in het paradijs zullen geven, waaronder rivieren stromen. Ze zullen er altijd in verblijven. Zeer voortreffelijk is de beloning van de mensen die werken.

الَّذِیۡنَ صَبَرُوۡا وَ عَلٰی رَبِّہِمۡ یَتَوَکَّلُوۡنَ ﴿۹۵﴾
029.059 Allatheena sabaroo waAAala rabbihim yatawakkaloona
29:59 (Dat zijn) degenen die geduldig en standvastig zijn en die hun vertrouwen stellen in hun Heer.

وَ کَاَیِّنۡ مِّنۡ دَآبَّۃٍ لَّا تَحۡمِلُ رِزۡقَہَا ٭ۖ اَللّٰہُ یَرۡزُقُہَا وَ اِیَّاکُمۡ ۫ۖ وَ ہُوَ السَّمِیۡعُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۰۶﴾
029.060 Wakaayyin min dabbatin la tahmilu rizqaha Allahu yarzuquha wa-iyyakum wahuwa alssameeAAu alAAaleemu
29:60 En hoeveel schepsels zijn er, die geen levensonderhoud hebben? Het is Allah die hen en jullie (in levensonderhoud) voorziet. Hij is As-Samie (Al-Horend), Al-Aliem (Al-wetend).

وَ لَئِنۡ سَاَلۡتَہُمۡ مَّنۡ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ وَ سَخَّرَ الشَّمۡسَ وَ الۡقَمَرَ لَیَقُوۡلُنَّ اللّٰہُ ۚ فَاَنّٰی یُؤۡفَکُوۡنَ ﴿۱۶﴾
029.061 Wala-in saaltahum man khalaqa alssamawati waal-arda wasakhkhara alshshamsa waalqamara layaqoolunna Allahu faanna yu/fakoona
29:61 Als je hen (iedereen) vraagt: "Wie heeft de hemelen en de aarde gemaakt en de zon en de maan dienstbaar gesteld (voor de mensheid)? Dan zullen ze zonder twijfel zeggen: "Allah!" Hoe komt het dan dat ze zijn misleid (om deelgenoten toe te kennen aan Allah)?" (Notitie: zie ook de getuigenis van iedereen, 7:172)

اَللّٰہُ یَبۡسُطُ الرِّزۡقَ لِمَنۡ یَّشَآءُ مِنۡ عِبَادِہٖ وَ یَقۡدِرُ لَہٗ ؕ اِنَّ اللّٰہَ بِکُلِّ شَیۡءٍ عَلِیۡمٌ ﴿۲۶﴾
029.062 Allahu yabsutu alrrizqa liman yashao min AAibadihi wayaqdiru lahu inna Allaha bikulli shay-in AAaleemun
29:62 Allah verruimt en beperkt de voorzieningen voor wie Hij wilt van Zijn dienaren. Voorzeker, Allah is over alles Alwetend.

وَ لَئِنۡ سَاَلۡتَہُمۡ مَّنۡ نَّزَّلَ مِنَ السَّمَآءِ مَآءً فَاَحۡیَا بِہِ الۡاَرۡضَ مِنۡۢ بَعۡدِ مَوۡتِہَا لَیَقُوۡلُنَّ اللّٰہُ ؕ قُلِ الۡحَمۡدُ لِلّٰہِ ؕ بَلۡ اَکۡثَرُہُمۡ لَا یَعۡقِلُوۡنَ ﴿۳۶﴾
029.063 Wala-in saaltahum man nazzala mina alssama-i maan faahya bihi al-arda min baAAdi mawtiha layaqoolunna Allahu quli alhamdu lillahi bal aktharuhum la yaAAqiloona
29:63 En Als je hen vraagt: "Wie doet water neerdalen vanuit de hemel en doet ermee de aarde leven na haar dood. Dan zullen ze zeker zeggen: "Allah!" Zeg:" Alhamdu Lillah (Alle lof en dank komt Allah toe)!" Maar de meeste van hen denken niet na.

وَ مَا ہٰذِہِ الۡحَیٰوۃُ الدُّنۡیَاۤ اِلَّا لَہۡوٌ وَّ لَعِبٌ ؕ وَ اِنَّ الدَّارَ الۡاٰخِرَۃَ لَہِیَ الۡحَیَوَانُ ۘ لَوۡ کَانُوۡا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۴۶﴾
029.064 Wama hathihi alhayatu alddunya illa lahwun walaAAibun wa-inna alddara al-akhirata lahiya alhayawanu law kanoo yaAAlamoona
29:64 Dit wereldse leven is niets anders dan vermaak en een spel (voor de mensheid). Echter, het huis van het hiernamaals is het eeuwige leven dat geen dood kent. Wisten ze het maar!

فَاِذَا رَکِبُوۡا فِی الۡفُلۡکِ دَعَوُا اللّٰہَ مُخۡلِصِیۡنَ لَہُ الدِّیۡنَ ۬ۚ فَلَمَّا نَجّٰہُمۡ اِلَی الۡبَرِّ اِذَا ہُمۡ یُشۡرِکُوۡنَ ﴿۵۶﴾
029.065 Fa-itha rakiboo fee alfulki daAAawoo Allaha mukhliseena lahu alddeena falamma najjahum ila albarri itha hum yushrikoona
29:65 En wanneer ze aan boord gaan van een schip, (zie) dan roepen ze Allah aan, met zuivere toewijding aan Hem. Maar wanneer Hij hen aan land brengt, zie, ze kennen weer deelgenoten aan Hem toe.

لِیَکۡفُرُوۡا بِمَاۤ اٰتَیۡنٰہُمۡ ۚۙ وَ لِیَتَمَتَّعُوۡا ٝ فَسَوۡفَ یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۶۶﴾
029.066 Liyakfuroo bima ataynahum waliyatamattaAAoo fasawfa yaAAlamoona
29:66 Zodat ze datgeen kunnen ontkennen wat Wij aan hen hebben gegeven (de leiding, de Koran) en zodat ze zich zelf kunnen vermaken. Echter, spoedig zullen ze weten!

اَوَ لَمۡ یَرَوۡا اَنَّا جَعَلۡنَا حَرَمًا اٰمِنًا وَّ یُتَخَطَّفُ النَّاسُ مِنۡ حَوۡلِہِمۡ ؕ اَفَبِالۡبَاطِلِ یُؤۡمِنُوۡنَ وَ بِنِعۡمَۃِ اللّٰہِ یَکۡفُرُوۡنَ ﴿۷۶﴾
029.067 Awa lam yaraw anna jaAAalna haraman aminan wayutakhattafu alnnasu min hawlihim afabialbatili yu/minoona wabiniAAmati Allahi yakfuroona
29:67 Zien ze dan niet dat Wij, een veilige heilige plek hebben gegeven (Mekka, zie 16:112), terwijl er mensen om hen heen worden verdreven/weggenomen/gedood? Geloven ze dan in de valsheid, en ontkennen ze de gunsten van Allah? (Notitie: In de 6de en 7de eeuw werden veel oorlogen gevoerd tussen de Romeinen/Byzantijnen en de Perzen in het oosten. Echter, Mekka en Medina waren niet betrokken bij deze oorlogen.)

وَ مَنۡ اَظۡلَمُ مِمَّنِ افۡتَرٰی عَلَی اللّٰہِ کَذِبًا اَوۡ کَذَّبَ بِالۡحَقِّ لَمَّا جَآءَہٗ ؕ اَلَیۡسَ فِیۡ جَہَنَّمَ مَثۡوًی لِّلۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۸۶﴾
029.068 Waman athlamu mimmani iftara AAala Allahi kathiban aw kaththaba bialhaqqi lamma jaahu alaysa fee jahannama mathwan lilkafireena
29:68 Wie is er meer onrechtvaardig dan degene die een leugen over Allah verzint of die de waarheid ontkent wanneer deze tot hem komt. Is de hel (dan) geen (terechte) verblijfplaats voor de ongelovigen?

وَ الَّذِیۡنَ جَاہَدُوۡا فِیۡنَا لَنَہۡدِیَنَّہُمۡ سُبُلَنَا ؕ وَ اِنَّ اللّٰہَ لَمَعَ الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۹۶﴾
029.069 Waallatheena jahadoo feena lanahdiyannahum subulana wa-inna Allaha lamaAAa almuhsineena
29:69 En degenen die strijden/streven naar Ons toe, Wij zullen hen zeker leiden tot Ons weg. Voorzeker, Allah is zeker met de Muhsinien (personen met de hoogste Imaan/geloofsniveau/rechtvaardigen).


www.heiligekoran.nl